| 18350 |
hoge schoen met elastieken tussenstukken |
bottine:
bottines (Q077p Hoeselt)
|
schoenen, hoge ~ met elastieken tussenstukken in de schacht [boddekeens] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18349 |
hoge waterdichte schoen |
sneeuwschoen:
sneesjoen (Q077p Hoeselt)
|
schoenen, hoge waterdichte ~ met waterkap [snöwschoen, tongschoen] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 33073 |
hok opbinden |
toebinden:
tǫu̯bɛn (Q077p Hoeselt)
|
Het leggen van een band om de koppen van de schoven als deze in een hok bijeengezet worden. Het voorwerp van het werkwoord is steeds "hok, stuik". De volgorde van de varianten van het type binden is zoals in het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). [N 15, 33; monogr.]
I-4
|
| 22024 |
holenduif |
holduif:
Ook: holenduif.
wo`ldauf (Q077p Hoeselt),
holenduif:
Sub wo`ldauf: ook holendauf.
holendauf (Q077p Hoeselt)
|
Bosduif.
III-3-2
|
| 29817 |
holle steen |
plafonddalle:
plǝfoŋdal (Q077p Hoeselt
[(meervoud: plǝfoŋdalǝ)]
)
|
Metselsteen die niet massief is. Holle stenen kunnen diverse vormen en afmetingen vertonen en worden onder meer gebruikt voor gewelven, zolderingen en lichte tussenmuren. Ze worden ook toegepast bij het opmetselen van rookkanalen en luchtkokers. Zie ook afb. 27. Het betreft daar een holle spie- of boogsteen. De woordtypen zwemsteen (L 289) en zwembrik (Q 12) verwijzen naar het feit dat holle stenen licht van gewicht kunnen zijn door het gebruik van poreuze grondstoffen als natuurbims, kunstbims of gegranuleerde hoogovenslakken; als bindmiddel wordt dan hydraulische kalk, cement of een mengsel van beide toegepast. [N 30, 54c]
II-8
|
| 24323 |
hom |
melk:
melk (Q077p Hoeselt)
|
Hoe noemt u het voortplantignsvocht van mannelijke vissen (hom, melk, geiltje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
hoemmel (Q077p Hoeselt),
hôemmël (Q077p Hoeselt),
ook in ZND 01, a-m
hoemel (Q077p Hoeselt)
|
Hoe noemt u een soort bij: groot, breed gebouwd en meestal kleurig behaard (bruinrood of geel) (hommel) [N 83 (1981)] || hommel [ZND 27 (1938)]
III-4-2
|
| 20524 |
homp brood |
stomp:
stoemp (Q077p Hoeselt)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19784 |
hond |
hond:
hond (Q077p Hoeselt),
hoͅ.nt (Q077p Hoeselt),
hoͅnt (Q077p Hoeselt),
hondje:
hundsche (Q077p Hoeselt)
|
hond [Goossens 1b (1960)], [ZND 08 (1925)], [ZND 21 (1936)], [ZND m]
III-2-1
|
| 34567 |
hondenkar |
hondskar:
hǫnskār (Q077p Hoeselt)
|
Kleine kar die door een hond getrokken wordt en die voornamelijk gebruikt werd voor het vervoer van allerlei kleine hoeveelheden. [N 17, 15a; JG 1a; N G, 51; monogr]
I-13
|