| 20816 |
rijp |
rijp:
rééjp (Q077p Hoeselt)
|
rijp [RND]
III-2-3
|
| 25187 |
rijp vormen, rijpen |
rijmen:
reimen
reͅimə (Q077p Hoeselt),
rijme
reͅimə (Q077p Hoeselt)
|
vriezen zodanig dat zich rijm op de bomen vormt [rouwvorsten, rijmen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25186 |
rijp, rijmx |
ijzel:
iezel
īzəl (Q077p Hoeselt),
rijm:
rijm
reͅim (Q077p Hoeselt)
|
rijm, bevroren dauw of nevel die zich afzet op de takken [waterrijm, roevros] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 33509 |
rijshout, bonenstaak |
boonroede:
boonruu (Q077p Hoeselt),
boonstaak:
boonstaok (Q077p Hoeselt),
roede:
ruu (Q077p Hoeselt)
|
[ZND 23 (1937)]
I-7
|
| 33978 |
rijzadel |
rijzadel:
ręi̯zǫi̯.ǝl (Q077p Hoeselt)
|
Zadel dat gebruikt wordt bij het berijden van een paard. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 33084 |
rijzen, uit de aren vallen |
rijzen:
rēzǝ (Q077p Hoeselt)
|
Het uit de aren vallen van de graankorrels, wanneer het graan goed droog is en op de wagen getast wordt. ''tasser op de wagen'' (5.1.5). In L 286 en 288 voegt men toe dat dergelijk koren rijskoren (riskōrǝ) wordt genoemd. De laatste drie uitdrukkingen betekenen zoveel als: "het koren is zo droog dat de korrels uit de aren vallen". Naar de fonetische verschijningsvorm zouden de uitdrukkingen (het is) rijs echter ook persoonsvormen van het werkwoord rijzen kunnen zijn.' [N 15, 53; JG 1a, 1b, 2c; L 32, 41; monogr.]
I-4
|
| 18396 |
ring |
ring:
rreeng--V (Q077p Hoeselt),
rɛjŋk (Q077p Hoeselt)
|
De ruimte tussen de molenstenen en de steenkuip, waar het meel bij het malen neervalt. [Grof 174] || ring [GTP]
II-3, III-1-3
|
| 17587 |
ringbaard |
ringbaardje:
rèngbêûdsjë (Q077p Hoeselt)
|
Ringbaard: korte baard die als ring om het gezicht loopt [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 29911 |
ringen |
ringen:
reŋǝ (Q077p Hoeselt),
ręŋǝ (Q077p Hoeselt)
|
Het varken een ring in de neus zetten om het het wroeten te beletten. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 70, 9; N 19, 26; N 19, 26, Q 98 add.; monogr.]
I-12
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
schoonmaken:
šōnmōͅ.kə (Q077p Hoeselt)
|
[Goossens 1b (1960)]
I-7
|