| 18392 |
bretel |
help:
həlpə (Q077p Hoeselt)
|
bretels, stel schouderbanden om de broek op te houden [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18099 |
breuk |
breuk:
bri"k (Q077p Hoeselt),
brjə:k (Q077p Hoeselt)
|
hij heeft een breuk (in de buik; Fr. hernie) [ZND 22 (1936)]
III-1-2
|
| 21250 |
brief |
brief:
bri:f (Q077p Hoeselt)
|
brief [RND]
III-3-1
|
| 21205 |
briefkaart |
kaart:
koat (Q077p Hoeselt),
postkaart:
poskôot (Q077p Hoeselt)
|
briefkaart || de kaart waarop men tegen lager tarief dan voor brieven correspondentie kan voeren [briefkaart, brievenkaart, postkaart, kaartbrief] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33840 |
briesen |
pruisen:
prǫu̯.sǝ (Q077p Hoeselt)
|
Proestend, snuivend of blazend geluid met neus en lippen maken. [JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 22, 21; N 8, 66 en 67; S 5]
I-9
|
| 19419 |
briket |
briket:
brikette (Q077p Hoeselt)
|
(Langwerpig) stuk brandstof, geperst uit steenkool- of bruinkoolgruis, fijngemaakte turf of houtskool met water en leem vermengd (briket, kluit, slof) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 34600 |
bril |
bril:
brel (Q077p Hoeselt)
|
Verzwaard, dwars sluithout waardoor de vregelpaal gestoken werd. De vregelpaal is een boom die overlangs in de bak van de hoogkar ligt en die, samen met de vregelstok en het bindtouw, gebruikt wordt om het hooi vast te zetten (voor meer uitleg zie WLD I.3, onder de lemmata touw om het hooi vast te sjorren, vregelpaal en vregelstok). Zoals op de kaart duidelijk blijkt, is dit systeem vooral in gebruik in de streken met de meest vruchtbare grond, m.n. in het Maasland en in het zuidoosten van Haspengouw. [N 17, 14b; JG 1b; JG 2c]
I-13
|
| 19245 |
broeden |
uitbroeden:
awtbrûen (Q077p Hoeselt)
|
ontwerpen, uitdenken, gezegd van bijv. een plan, een aanslag [beramen, braaien, broeden] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 34499 |
broeden, op eieren zitten |
broeden:
bryǝn (Q077p Hoeselt),
brȳn (Q077p Hoeselt),
brȳǝn (Q077p Hoeselt),
brūǝn (Q077p Hoeselt)
|
[N 19, 45; N 19, 44d; Vld.; S 5; L 1a-m; L 22, 22; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 34504 |
broedende kip op eieren |
broedhen:
brȳhin (Q077p Hoeselt),
kloekhen:
klukhen (Q077p Hoeselt)
|
[N 19, 43a; JG 1a, 1b, 2c; L 14, 21; A 6, 1c; S 5; L B2, 320; monogr.]
I-12
|