id | Begrip | Trefwoord: dialectopgave (plaats) | Omschrijving |
---|---|---|---|
23355 | armenbanken | kerkstoelen: kirksteul (Holtum), vrije plaatsen: vrie plaatse (Holtum) | De banken achter in de kerk, die niet werden verpacht [gemeine banken, vrije banken, ermebanke, vrije plaatsen?]. [N 96A (1989)] III-3-3 |
25055 | armvol | armvol: ennen hervel höj (Holtum), hęrvǝl (Holtum) | armvol hooi [ennen erval hoj] [N 07 (1961)] || De hoeveelheid stro of aren die men in de armen kan vasthouden. Zie ook het lemma ''handvol hooi'' (5.1.4) in aflevering I.3. [N 7, 58; L 1, a-m; L 1u, 8; L A1, 88; Wi 51; monogr.] I-4, III-4-4 |
32672 | asblok | asbed: as˱bęt (Holtum) | Het als ashouder of als as fungerende houten blok waaraan de wielen van de voorploeg bevestigd zijn. [N 11, 31.I.a; N 11A, 97a] I-1 |
23603 | asperges me | asperges: asperges (Holtum), asperges me: asperges me (Holtum), vidi aquam: vidi aquam (Holtum) | Het gezang dat voorafgaand aan de hoogmis gezongen wordt onder de besprenkeling met wijwater: "Asperges me...."of "Vidi aquam...."(in de Paastijd). [N 96B (1989)] III-3-3 |
23401 | aureool | lichtkrans: leegkrans (Holtum) | De gouden lichtkrans of -kring boven om het hoofd van een heiligenbeeld [aureool, nimbus?]. [N 96A (1989)] III-3-3 |
23257 | avondgebed | avondgebed: aovendgebed (Holtum), avondgebed (Holtum) | Het avondgebed/avondsgebed met gewetensonderzoek [aovendgebed, aovesgebed, aoëvetsjebed?]. [N 96B (1989)] III-3-3 |
20582 | avondmaal | avondbrood: aombroad (Holtum), avondskost: aoveskòs (Holtum) | de laatste maaltijd van de dag (verschil tussen zomer en winter [N 06 (1960)] III-2-3 |
22321 | baantje glijden op het ijs | slieren: sjleere (Holtum) | Baantje glijden [siddere, slibbere, sleure, kejje]. [N 07 (1961)] III-3-2 |
17584 | baard | hauwen: hai̯ǝ (Holtum) | De scherpe uitsteeksels van de aar bij sommige graangewassen: kafnaalden. Het type baard is een verzamelnaam; het type vlimmen is het meervoud van vlim dat eigenlijk de afzonderlijke kafnaald aanduidt die aan het omhulsel van de korrel vastzit. Wanneer het type vlimmen als dubbelopgave naast baard voorkomt (dat is het geval in L 286, 312 en 313), dan is de betekenis van vlimmen: het omhulsel waarin de korrel zit. Vergelijk ook de lemma''s ''graanafval'' (6.1.30) en ''spikken'' (6.1.31). Zie afbeelding 2, f. [JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 25, 11; NE 2.I, 51; monogr.; add. uit N 14, 131] I-4 |
17720 | baarmoeder | baarmoeder: Geen dialectwoord voor. baarmoeder (Holtum) | baarmoeder [N 10c (1961)] III-1-1 |