| 32242 |
draagbalken |
stelbomen:
štęlbøi̯m (L325p Horn)
|
De twee balken waarop de zijkanten van de bak van de slagkar rusten. Bij de hoogkar vormen de berries deze draagbalken, vandaar dat ze bij dit type kar geen aparte benaming krijgen. Bij de slagkar zijn de berries aan de draagbalken bevestigd door middel van een berriespil, waardoor de bak kan kippen, terwijl de berries horizontaal blijven. Zie ook het lemma berriespil. Het woordtype brak kan zowel "dragbalk" als ook "karbak" betekenen; zie ook het lemma bak. [N 17, 17; N G, 56a; JG 1d]
I-13
|
| 33982 |
draagriem |
licht:
lext (L325p Horn),
lichtriem:
lichtriem (L325p Horn)
|
Riem die op het lagere middengedeelte van het schoftzadel wordt gelegd en die twee lussen bevat die de berries van de kar ophouden. [JG 1b, 1c, 2a, 2b; N 13, 70]
I-10
|
| 17856 |
draaien |
draaien:
dreije (L325p Horn)
|
keren [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34255 |
draaiende karnton |
bottervat:
[botter]vāt (L325p Horn)
|
De karnton wordt met een zwengel of een wiel zelf rondgedraaid. Deze ton, waarin de boter door draaien wordt gemaakt, draait zelf mee. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [N 12, 51, 56 en 58; L 1a-m; L 27, 30 en 69; JG 1a, 1b, 1d, 2c; Ge 22, 10, 26, 29, 34 en 37; A 7, 19; S 17; monogr.]
I-11
|
| 33727 |
draaihek |
poort:
port (L325p Horn),
varen:
vǭrǝ (L325p Horn)
|
Een hek dat op scharnieren of haken draait aan de ingang van een wei, gemaakt van prikkeldraad of houten latten. [N 14, 68a; N M, 5; A 25, 5d; L B 19, 6; monogr.]
I-8
|
| 24950 |
draaikolk |
draaikolk:
drèjkolk (L325p Horn),
drèjkòllək (L325p Horn),
kolk:
kolk (L325p Horn)
|
kolk, plaats in water waar een snel ronddraaiende stroom is die voorwerpen kan meeslepen en naar beneden trekken [willing, wieling, waal, wolf, draaipol] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 34160 |
drachtig |
behouden:
bǝhǭjǝ (L325p Horn)
|
[N 3A, 33]
I-11
|
| 33873 |
drachtige merrie |
vol:
vol (L325p Horn)
|
De merrie "behoudt", als men na een drietal weken zekerheid heeft dat ze drachtig is; bij een miskraam "verwerpt" ze. [JG 1a, 1b; N 8, 50a]
I-9
|
| 33523 |
draden of randen van peulvruchten |
ringen/randen:
reng (L325p Horn),
vamen:
vääm (sg vaam) (L325p Horn)
|
[N Q (1966)]
I-7
|
| 25127 |
dragen, gezegd van ijs |
dragen:
dragə (L325p Horn),
drààgə (L325p Horn)
|
dragen gezegd van ijs waarop men kan lopen [lijden, helen, houden] [N 81 (1980)]
III-4-4
|