| 30538 |
halsring |
carcan:
kǝrkǫn (L414p Houthalen)
|
De tegen de afvoerbuis gesoldeerde halve kralen of banden om de buis op de pijpbeugels te kunnen laten rusten. [N 64, 149a]
II-9
|
| 18236 |
halssnoer |
collier (fr.):
collier (L414p Houthalen)
|
Halssnoer. Aan een snoer geregen kralen, parels, enz. als halssieraad [toer, snoer, ketting, karkant, collier] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 33927 |
halster |
halster:
hɛlstǝr (L414p Houthalen)
|
Stel van leren riemen - eventueel touwen - of kettingen dat het paard om het hoofd heeft als het niet ingespannen is. Aan de halsterring wordt de lijn of ketting gehecht waarmee het paard in de stal of op de weide wordt vastgebonden of waarmee het wordt geleid. Op sommige plaatsen wordt de term halster ook gebruikt om het Hoofdstel of de Stalband aan te duiden. [JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2b, 2c; N 13, 18a; N 5 A II, 59e add.; monogr.]
I-10
|
| 29826 |
halve steen |
halve steen:
halǝvǝ stī̄n (L414p Houthalen)
|
Een in de breedterichting doormidden geslagen metselsteen of een baksteen van dit formaat die machinaal is vervaardigd. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛdrieklezoorɛ.' [N 31, 19a; monogr.]
II-8
|
| 20820 |
ham, hesp |
hesp:
achterste
hɛsp (L414p Houthalen),
bovenste lid van de varkenspoot met het vlees daarrond
heͅsp (L414p Houthalen),
verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) (a+b)
heisp (L414p Houthalen),
hesp (L414p Houthalen),
schouder:
voorste
sxōr (L414p Houthalen)
|
ham, hesp [Goossens 1a (1955)] || hesp [ZND 24 (1937)] || hesp (onderscheid tussen voorste en achterste) [ZND B2 (1940sq)]
III-2-3
|
| 17659 |
hand |
hand:
hand (L414p Houthalen),
hant (L414p Houthalen)
|
een hand [ZND A1 (1940sq)] || ik heb een splinter in mijn hand [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 29935 |
handbeschermer |
leren lap:
līrǝ lap (L414p Houthalen)
|
Rubber of leren kapje dat men aan de handen schuift om vingers en handpalm te beschermen bij het dragen van stenen. De woordtypen 'handschoe' en 'want' duiden waarschijnlijk een handschoenachtige bescherming aan die de hele hand bedekt. Zie ook het lemma 'handbeschermers' in het Woordenboek van de Limburgse Dialecten II.8, pag. 59. Over de term handlap merkt Van Houcke (pag. 133) op: ...Is een klein stuk leder met eene of meer dubbele kerven. De kerven vormen als 't ware ringen, waarin de metselaar de vingeren steekt om de hand tegen het slijten door den steen, en voornamelijk door natgemaakten steen, veroorzaakt, te vrijwaren.ø̄ [N 30, 6a; N 30, 6b; monogr.]
II-9
|
| 21731 |
handboei |
boei:
ps. omgespeld volgens Frings!
bojə (L414p Houthalen)
|
de boei waarmee handen geboeid worden [paternoster, handboei] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 17661 |
handen (kindernamen) |
handjes:
heͅnəkə (L414p Houthalen),
polletjes:
poͅləkə (L414p Houthalen)
|
hand: kinderwoorden (pol, polleke, poeleke] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
poten:
pyt (L414p Houthalen)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|