e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Houthalen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
mager worden krimpen: krimpen (Houthalen), vermageren: vermageren (Houthalen) Mager worden: in omvang en gewicht afnemen (afslekkeren, afslanken, krimpen, slinken, vermageren). [N 106 (2001)] III-1-1
mais maïs: mai̯ǝs (Houthalen) Zea mays L. Hoogopschietende graansoort met bloeikolven. Vroeger (in Q 14 wordt gepreciseerd: "vóór 1915") alleen als kippevoer bekend; maar de laatste decennia hoe langer hoe meer geteeld als veevoeder. Maïs wordt tegenwoordig op rijen gezet met een afstand van ongeveer 50 cm. Turkentarwe (naar de vreemde herkomst) was de oude en vrij algemene Zuidnederlandse benaming die door het veel kortere maïs verdrongen werd. Het type korentjestarwe, lett. "korreltjes-tarwe", dial. ''kurkentarwe'', is wel een volksetymologie van turkentarwe; in de veelvuldig voorkomende doubletten verschilt alleen de eerste medeklinker. De Vorsense opgave pǝtruk komt uit het Waalse peûs d''trouc'' (pois de Turc), "erwt uit Turkije". Zie afbeelding 1, g.' [N P, 22; JG 1a, 1b; L lijst graangewassen, 4; monogr.; add. uit N 15, 1b] I-4
mak braaf: brā. (Houthalen), gemakkelijk: gǝmɛkǝlek (Houthalen), gezeeg: gǝzēxt (Houthalen) Gezegd van een zachtaardig, gewillig paard. [JG 1a; N 8, 64i en 64j] I-9
malen malen: mǭ.lǝ (Houthalen) Graan fijnmaken met behulp van een molen. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛbreken, snijdenɛ. Het woordtype malen heeft in P 53, P 58, Q 77a en Q 83 naast de bovengenoemde algemene betekenis ook de specifieke betekenis ø̄de bewerking die de graankorrel ondergaat op het ɛmaalvlakɛ van de molensteenø̄. Vanderspickken (pag. 61) merkt daarover op: ø̄Als het graan tussen de maalstenen komt, wordt het eerst in het midden van de steen gebroken of gesneden en meer naar de buitenkant toe gewreven of gemalen.ø̄' [N O, 36a; JG 1a; Vds 4; Jan 8; Coe 8; Grof 17; monogr.] II-3
malooi bak: bak (Houthalen), bák (Houthalen), gebaktezak: gǝbęqdǝzak (Houthalen) De hoeveelheid graan die men naar de molen brengt en die groot genoeg is om er één of twee keer van te bakken. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛmaalgoedɛ en ɛbakmeelɛ.' [JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 2c; monogr.; N D, 33 add.] II-3
mals, gezegd van boter plat: plat (Houthalen, ... ) mals, goed smeerbaar, gezegd van boter (plat) [N 91 (1982)] III-2-3
man man: de man is aat (Houthalen), hoe heet die man (Houthalen), ma.n (Houthalen), mâ.n (Houthalen), mens: di[ə} mens (Houthalen), ĕstēͅ mēnsĕj (Houthalen), eͅs di[ə} mens hēͅ (Houthalen), hoe heet die mins (Houthalen), hoe heet djee mins (Houthalen), vent: hoe heet die vent (Houthalen) die man [ZND A2 (1940sq)] || is die man hier ? [ZND A2 (1940sq)] || man [RND], [RND] || Man. Die man is oud. [ZND 05 (1924)] || Vertaal in uw dialect: hoe heet die man? [ZND 48 (1954)] III-3-1
man die de behaalde tijden afleest besturen (ww.): besturen (Houthalen) de man die de behaalde tijden afleest? [N 93 (1983)] III-3-2
man die de uitslag bepaalt uitmaker: ouwtmaker (Houthalen) de man die de uitslag bepaalt? [N 93 (1983)] III-3-2
manchet bandje: bendeke (Houthalen), manchet: manchet (Houthalen), omslag: omslag (Houthalen) de boord onder aan de mouw (manchet?) [N 59 (1973)] || Hoe noemt U de manchet [N 62 (1973)] III-1-3