| 29920 |
metselaar |
metser:
mę ̞tsǝr (L414p Houthalen)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metselen:
mɛtsǝlǝ (L414p Houthalen),
metsen:
mɛtsǝ (L414p Houthalen)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29942 |
metselkoord |
metskoord:
mɛtskoart (L414p Houthalen)
|
Het koord dat men spant om daarlangs te metselen. Aan beide uiteinden kunnen twee priemen bevestigd zijn waarmee het koord in de voegen van het metselwerk wordt vastgezet. Zie ook het lemma 'priemen'. Het woordtype snoergerust (Q 121) was een benaming voor het metselkoord met toebehoren. Zie ook afb. 4. [N 30, 14a; monogr.]
II-9
|
| 30089 |
metselstenen bevochtigen |
nat maken:
nǭt mākǝ (L414p Houthalen)
|
Metselstenen nat spuiten. Om een goede aanhechting tussen mortel en steen te verkrijgen, worden metselstenen doorgaans een avond vóór het verwerken bevochtigd. Dit voorkomt dat de droge steen tijdens het metselen te veel water uit de mortel opneemt. [N 31, 13a]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
metszand:
mɛts˲zant (L414p Houthalen),
papzand:
pap˲zant (L414p Houthalen),
rijnzand:
ręjnzant (L414p Houthalen
[(mager zand)]
),
scherpe zand:
sxɛrǝpǝ zant (L414p Houthalen),
zand:
zant (L414p Houthalen)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 32088 |
meubelmaker |
meubelmaker:
møbǝlmākǝr (L414p Houthalen)
|
Ambachtsman die meubels vervaardigt. [N 55, 166a; L 34, 19b; monogr.]
II-12
|
| 20123 |
miauwen |
miauwen:
miauwen (L414p Houthalen)
|
Hoe noemt u het gewone stemgeluid van een kat (mauwen, kajauwen, jauwen, lollen, miauwen, janken, rallen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 31353 |
micrometer |
micrometer:
micrometer (L414p Houthalen)
|
Werktuig om zeer kleine maten op te meten. De micrometer bestaat uit een beugel met een zgn. aambeeld (het aanslagpunt), een schroefspil die het te meten werkstuk tegen het aambeeld inklemt en een draaibare meettrommel. Er bestaan ook elektronische uitvoeringen van dit toestel. Zie ook afb. 87. [N 64, 83a]
II-11
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
midàch (L414p Houthalen),
ps. omgespeld volgens Frings.
meͅdāx (L414p Houthalen)
|
middag [RND], [ZND 38 (1942)]
III-4-4
|
| 17838 |
middagdutje |
onderstond:
Ww. uitdr.: onerstont sluope.
oͅnərstoͅnt (L414p Houthalen)
|
middagslaapje [ZND B1 (1940sq)]
III-1-2
|