| 19597 |
vergiet |
zij:
zie (Q109p Hulsberg)
|
Vergiet. Hoe noemt men de van gaten voorziene schotel (gemaakt van aardewerk, email of blik), die wordt gebruikt om b.v. gewassen groente te laten uitdruipen? [DC 14 (1946)]
III-2-1
|
| 18054 |
vergiftigen |
vergiftigen:
vergiftigə (Q109p Hulsberg)
|
Vergiftigen: door vergif doden (vergeven, vergiftigen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21152 |
verharde weg |
geteerde weg:
gətaardə wéég (Q109p Hulsberg)
|
een verharde weg (klinkerd, kunstweg, kalsij, kalseide) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 20533 |
verhitten |
warmen:
wèrmə (Q109p Hulsberg)
|
verhitten; Hoe noemt U: Voedsel warm maken (loteren) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21726 |
verhoren |
horen:
huərə (Q109p Hulsberg)
|
iemand ondervragen in een zaak voor de rechter [verhoren, overhoren, onderhoren] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21399 |
verkeren |
vrijen:
vrie.jə (Q109p Hulsberg)
|
verkering hebben [verkeren, vrijen, meteen lopen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 20364 |
verkering |
verkering:
verkie.əring (Q109p Hulsberg)
|
verkering; regelmatige omgang met een persoon van het andere geslacht [sjans, verkeer, aanspraak] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 20367 |
verkering hebben |
vrijen:
vrie.jə (Q109p Hulsberg)
|
verkering hebben [verkeren, vrijen, meteen lopen] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 18001 |
verkillen |
killen:
kellə (Q109p Hulsberg)
|
Ongevoelig worden van kou, gezegd van ledematen (killen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18074 |
verkouden |
verkouden:
verkawwə (Q109p Hulsberg)
|
Verkouden: verkouden zijn; ontsteking van neusslijmvlies, met neusverstopping en slijmafscheiding (verkoud, verkouden, verkeld, versnoft). [N 84 (1981)]
III-1-2
|