| 33389 |
paardestalzolder |
hooizolder:
[hooizolder] (Q188p Kanne)
|
De zolder boven de paardestal, soms vanuit de schuur te bereiken. Meestal werd er hooi in bewaard; soms sliep de knecht er. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen haakjes geplaatste woorddelen het lemma "koestalzolder" (3.4.1). [N 5A, 73a; monogr.]
I-6
|
| 29636 |
paardetuig |
paardsgetuig:
pi̯āts˲gǝtȳ.x (Q188p Kanne)
|
De naam voor het paardetuig in het algemeen. [JG 1a, 1b; N 13, 80; monogr.]
I-10
|
| 33320 |
pacht, vruchtgebruik |
pacht:
pɛ̄i̯x (Q188p Kanne)
|
Onder pacht worden drie samenhangende betekenissen verstaan: 1. hetgeen de pachter betaalt: "de pacht betalen"; 2. het vruchtgebruik van de grond: "grond in pacht hebben"; 3. het contract: "de boer heeft nog twee jaar pacht". Tocht hangt, evenals de nevenvorm tucht, oorspronkelijk samen met trekken in de betekenis "telen"; leeftocht is dan "tocht ("vruchtgebruik, pachtcontract") voor het leven". Aan tuis, vergelijk Mnl. tuuscen "dobbelen; bedriegen; ruilen", correspondeert Du. tauschen. Belading en belader corresponderen met belasting. Het feest van Sint Remeis of Sint Remigius, wiens naamdag naar de Romeinse kalender op 1 oktober valt, wordt wel de "huurdag der boerenknechten en meiden" genoemd (naar Jongeneel, 54). Bij boermeste: pachtvergoeding in natura; in plaats van een pachtsom te betalen, mocht de boer het onderhavige land voor één jaar gebruiken, mits hij voor eigen rekening het land een goede organische bemesting gaf. [L 14, 6; L 32, 101; Wi 18; monogr.]
I-6
|
| 24534 |
paddestoel (alg.) |
champignon:
šapəljoŋ (Q188p Kanne),
duivelsvlees:
soort
dy.vəlsvle:s (Q188p Kanne)
|
paddestoel [RND]
III-4-3
|
| 17550 |
pafferig dik, opgeblazen van lijf |
opgeblazen (dik):
opxəblōzə (Q188p Kanne),
pappetig (dik):
papətex (Q188p Kanne)
|
dik, pafferig [maf] [N 10 (1961)] || opgeblazen van lijf [poesterig] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18240 |
paillette |
paillette (fr.):
pajjètte (Q188p Kanne),
paljɛt (Q188p Kanne)
|
pailette: plaatje, reepje gouden of zilveren falie, parlemoer, vooral gebruikt om kledingstukken te versieren || Pailletten. Een plaatje of reepje gouden of zilveren folie, tot versiering van kledingstukken [pailetten, gitten] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 17874 |
pak slaag |
pak slaag:
é pak sleug (Q188p Kanne)
|
een pak slaag [ZND 06 (1924)]
III-1-2
|
| 18170 |
pak, kostuum |
kostuum:
kəstüm (Q188p Kanne),
tenue (fr.):
təny (Q188p Kanne)
|
costume: pak, kostuum voor mannen || tenue: uniform
III-1-3
|
| 32736 |
pand, bed |
perceel:
pǝrsīlǝ (Q188p Kanne)
|
Een pand of bed is een deel van een (meest erg lange) akker of een smal stuk land tussen twee evenwijdige greppels. Vergelijk het lemma In Panden Ploegen. Panden zijn doorgaans kleiner van oppervlakte dan gewone percelen op drogere grond. Men onderscheidt soms brede en smalle akkerdelen. Waar de brede stukken panden heten, worden de smalle stukken bedden genoemd. Het omgekeerde is ook mogelijk. Met perken bedoelt men de brede stukken. Hieronder is van deze afzonderlijk te ploegen akkerdelen - voor zover mogelijk - de breedte in voren of meters vermeld. Omdat een akker meerdere panden of bedden omvat, zijn ook de verstrekte meervoudsvormen opgenomen. [N 11, 53a + b; N 11A, 122 add.; N 11A, 130 a + c; JG 1a + 1b + 1c + 2c; A 44, 21e]
I-1
|
| 18194 |
paraplu |
chamberlain (fr.):
Scherts.
šambərla͂e (Q188p Kanne),
paraplu:
pɛrəply (Q188p Kanne),
tompouce (<fr.):
tumpus (Q188p Kanne)
|
chamberlain: regenscherm || parapluie: regenscherm || tom pouce: kleine plooibare regenscherm
III-1-3
|