| 34641 |
kruiwagenberrie |
ber(ri)g:
(mv)
børǝgǝ (L316p Kaulille)
|
Elke van de twee lange draagbomen. Aan de voorzijde zijn de twee berries verbonden met de as van het kruiwagenwiel. Aan de andere kant van de berries bevinden zich de handvaten. Bij de meeste kruiwagens kunnen op de berries zijwanden geplaatst worden, zodat de kruiwagen een bak heeft. Bij de bakkruiwagen zijn deze zijwanden vast, en bij de scheienkruiwagen komen ze niet voor. Onderaan de berries bevinden zich de poten van de kruiwagen. [N 18, 98c + 99 + add; N G, 53a; JG 1a; JG 1b; RND 129; monogr.]
I-13
|
| 29960 |
kruizeel |
kruiriem:
krui̯rēm (L316p Kaulille),
krujrēm (L316p Kaulille),
kruiwagenriem:
krū.wā.gǝrēm (L316p Kaulille),
trekriem:
trɛkrēm (L316p Kaulille)
|
Riem die om de schouders gelegd wordt en aan de berries van de kruiwagen wordt vastgemaakt om het werk van de voerder te verlichten. Zie ook het lemma kruizeel in wld II.9. [N 18, 99, 100; JG 1a; JG 1b; JG 2a; JG 2b; JG 2c; L B, 90; L 35, 31; A 42, 16; monogr] || Van touw of leer vervaardigde band waarmee kruiwagens omhoog worden gehouden tijdens het kruien. De lussen aan de uiteinden van het kruizeel worden daarbij om de handvatten van de burries bevestigd terwijl het middenstuk kruisvormig over de rug of ook enkel om de hals wordt gelegd. [N 30, 22c; monogr.]
I-13, II-9
|
| 17791 |
krullen (ww.) |
krullen:
de haor krollen (L316p Kaulille)
|
het haar krullen (krullen maken) [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 34382 |
kudde schapen |
kooi:
køu̯ (L316p Kaulille),
kø̄i̯ (L316p Kaulille)
|
[JG 1a, 1b, 2c; L 6, 25b; A 4, 18; L 20, 18; monogr.]
I-12
|
| 17582 |
kuif |
kuif:
kuûf (L316p Kaulille)
|
Kuif (kuif, struif/stroef, kruif). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 24199 |
kuifleeuwerik |
leeuwerik:
lywərek (L316p Kaulille)
|
leeuwerik: kuifleeuwerik (17 overal op open plekken bij woningen aan buitenrand van dorp en stad; puntkuifje; trekt niet; totaal niet schuw; roep [tie-rie-rieuw]; nogal zachte zang [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24200 |
kuifmees |
bospiepertje:
boͅspipərkə (L316p Kaulille)
|
kuifmees (11,5 grijze kop met kuifje; alleen in mast- en sparrenbossen; nest vaak in oud eekhoornnest; roep [bi-bi-bi-brr-brr-brr]; zang heel zacht en miesperend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 34475 |
kuiken |
kieken:
kikǝn (L316p Kaulille),
kuiken:
ky.kǝn (L316p Kaulille)
|
Jong van een kip. [A 6, 1d; Wi 4; RND 1; L 6, 20a; L 42, 32; JG 1a, 1b, 2c; S 14; Gwn 5, 15; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 33703 |
kuil |
kuil:
kul (L316p Kaulille)
|
Een kuil, gat in de grond. [L 29, 12a; L 1a-m; monogr.]
I-8
|
| 17606 |
kuiltje (in de kin / wangen) |
kuiltje:
kuulke inne kin (L316p Kaulille),
kuûlke (L316p Kaulille)
|
een kuiltje in de kin [ZND 29 (1938)] || Kuiltje in de wang: een kuiltje in de wang, bijv. als men lacht (kuilke, kuiltje, putje). [N 106 (2001)]
III-1-1
|