| 20414 |
peetoom |
peteren:
pitteren (L316p Kaulille)
|
peter (doopvader) [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|
| 20415 |
peettante |
peet:
peèt (L316p Kaulille)
|
meter (doopmoeder) [ZND 05 (1924)]
III-2-2
|
| 30887 |
pek |
pek:
pɛk (L316p Kaulille)
|
De kleverige, zwarte massa die de schoenmaker gebruikt om een draad mee in te smeren. [N 60, 197b; N 36, 44; L 40, 38]
II-10
|
| 30885 |
pekdraad |
pekdraad:
pɛkdroǝt (L316p Kaulille)
|
De draad die men maakt door hennepvezels in elkaar te draaien en met pek in te smeren. [N 60, 195a; N 60, 238a; N 36, 44; L 40, 39]
II-10
|
| 20812 |
pekel |
pekel:
pɛkǝl (L316p Kaulille)
|
De zoutoplossing waarin het vlees wordt bewaard. [N 28, 108; monogr.]
II-1
|
| 25454 |
pekelkuip |
spekkuip:
spɛkup (L316p Kaulille),
spektijn:
spɛktin (L316p Kaulille)
|
De houten kuip waarin men het gezouten vlees en spek bewaart. [N 28, 110; monogr.]
II-1
|
| 26039 |
penbalk |
baanbalk:
bānbalǝk (L316p Kaulille)
|
De zware balk waar de pensteen op rust. Zie ook afb. 48. [N O, 29b; N O, 45c; A 42A, 89; A 42A, 17; monogr.]
II-3
|
| 34116 |
penis van de stier |
pees:
pɛ̄s (L316p Kaulille)
|
Mannelijk geslachtsorgaan. [JG 1a, 1b]
I-11
|
| 21415 |
pennenhouder |
pennenstok:
pennestok (L316p Kaulille, ...
L316p Kaulille,
L316p Kaulille)
|
pennenhouder [ZND 40 (1942)]
III-3-1
|
| 26233 |
pensteen |
baansteen:
bānstējn (L316p Kaulille)
|
De steen op de penbalk waarin het achtereinde van de molenas en in het bijzonder de daaraan bevestigde ijzeren pin, de taats, draait. De pensteen is in het algemeen uit een harde steensoort vervaardigd en kent een halfcilindervormige uitsparing. Zie ook afb. 47 en 48. [N O, 29a; A 42A, 88]
II-3
|