| 17599 |
rimpels |
rimpels:
rimpels (L316p Kaulille, ...
L316p Kaulille,
L316p Kaulille)
|
rimpels (in het gezicht) [ZND 41 (1943)]
III-1-1
|
| 18396 |
ring |
ring:
neREngk--S (L316p Kaulille)
|
ring [GTP]
III-1-3
|
| 17587 |
ringbaard |
ringbaard:
ri:nkbaa:rd (L316p Kaulille)
|
Ringbaard: korte baard die als ring om het gezicht loopt [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 29911 |
ringen |
ringen:
reŋǝn (L316p Kaulille)
|
Het varken een ring in de neus zetten om het het wroeten te beletten. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 70, 9; N 19, 26; N 19, 26, Q 98 add.; monogr.]
I-12
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
de ringen/randen er afdoen:
də raɛn ɛra.f don (L316p Kaulille),
ringen:
rēͅnə (L316p Kaulille)
|
[Goossens 1b (1960)] [N Q (1966)]
I-7
|
| 26494 |
ringhout |
ringhout:
riŋkhǭt (L316p Kaulille)
|
Het ronde hout waarop de steenkuip staat. Zie ook afb. 81. Het woorddeel ømeelŋ- is fonetisch gedocumenteerd in het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 19b; Sche 49; Vds 145; Jan 152; Coe 133; Grof 154; A 42A, 36 add.; N D, 33 add.]
II-3
|
| 26615 |
ringmeel |
ringmeel:
reŋk[meel] (L316p Kaulille)
|
Meel dat rondom de ligger in de steenkuip gevallen is. In l 288b verstond men onder ringmeel het meel dat rondom de stenen zat. Wanneer de stenen pas gescherpt waren en de molen opengebroken was geweest, gooide men er ringmeel over alvorens met malen te beginnen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømeelŋ het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 37e; Vds 161; Jan 166; Coe 151; Grof 179; A 42, add.; A 42A, 48 add.]
II-3
|
| 24234 |
ringmus |
ringmus:
reŋmøͅs (L316p Kaulille)
|
ringmus (14 bijna gelijk aan de huismus, maar chocoladepetje en -plekje op de wang; broedt meer in hol hout; vaak op trek in flinke troepen [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17669 |
ringvinger |
ringvinger:
ri:nkving`r (L316p Kaulille)
|
Ringvinger: de vierde vinger waaraan men gewoonlijk een ring draagt (ringvinger, goudvinger,vingerling, pillepoort). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 18103 |
ringworm |
catharinaswiel:
k’trienswiel (L316p Kaulille)
|
Huidziekte in de vorm van een wiel (omloop, Sinte-Katrien, wiel/rad, ring(el)worm). [N 107 (2001)]
III-1-2
|