| 33131 |
bussel kort stro |
krombussel:
krombø̜sǝl (L316p Kaulille)
|
Wanneer men het stro bijeengebonden heeft, ligt het graan op de dorsvloer, nog vermengd met eindjes kort stro, lege aren en kaf. Men harkt dan eerst de korte eindjes stro bijeen, en stopt deze in een bussel. Hier staan de benamingen voor deze bussel stro met harksel erin bijeen. [N 14, 29 en 33; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 48, 34.3b; Lu 2, 34.3b; monogr.; add. uit N 14, 25 en 28]
I-4
|
| 33129 |
bussel uitgedorst stro |
bussel:
bøsǝl (L316p Kaulille),
schoof:
sxuǝf (L316p Kaulille
[(mv sxyǝf)]
)
|
Wanneer het graan uit de aren is geslagen, worden de lege halmen bijeengebonden, vroeger met twee banden. Sinds de komst van de dorsmachines worden de halmen doorgaans dubbel geplooid en met één band in het midden gebonden, of tot pakken geperst. De grondbetekenis van schans is "takkebos, mutserd"; die van het du. Bürde "datgene wat gedragen wordt". Zie ook de toelichting van het lemma ''garve, gebonden schoof'' (4.6.4).' [N 14, 26; JG 1a, 1b, 2c; L 17, 16; L 22, 33b; L 48, 34.3a; Lu 2, 34.3a; R [s], 65; S 5; Wi 16 en 17; monogr.; add. uit R 3, 70 en R 14, 19 en uit het materiaal van lemma 4.6.4 waarbij is aangetekend dat het om gedorste garven gaat]
I-4
|
| 18586 |
bustehouder |
soutien (fr.):
sət`ēͅ (L316p Kaulille),
Spelling: <`> = sjwa.
s`tjàè (L316p Kaulille)
|
bustehouder, steunlijfje voor de boezem [N 25 (1964)] || Vrouwenondergoed [ook: lingerie, linergie?] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 20223 |
buurman |
buurman:
beuman (L316p Kaulille),
beurman (L316p Kaulille)
|
buurman [ZND 17 (1935)], [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 20241 |
buurt |
nabuurt:
naobert (L316p Kaulille)
|
Hij woont in de buurt [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 21305 |
buurten |
buurten:
buurten (L316p Kaulille),
uchteren:
uchteren (L316p Kaulille)
|
Hoe heet het gebruik in de winter s avonds bij de buren te gaan zitten praten? [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 21304 |
buurvrouw |
buurvrouw:
beurvrouw (L316p Kaulille)
|
buurvrouw [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 18557 |
capuchon |
kap:
kap (L316p Kaulille),
kapə (L316p Kaulille),
kapje:
kepke (L316p Kaulille)
|
capuchon van een regenmantel [tröt] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 22423 |
carambole |
carambole (fr.):
karambol (L316p Kaulille)
|
het raken van de rode bal en één van de beide witte met de andere witte bal waarmee gespeeld wordt in een bepaald biljartspel [carambole, karbel, kerbol, karbelhouwogen] [N 112 (2006)]
III-3-2
|
| 18067 |
cariës |
rotte tanden:
meervoud: tàèn
rott’n ta:nd (L316p Kaulille)
|
Cariës: tandbederf, langzame vernietiging van het glazuur van de tand (wolf, rotte tanden, cariës). [N 107 (2001)]
III-1-2
|