| 23296 |
pater |
pater (lat.):
pu.tər (K317a Kerkhoven)
|
pater [RND]
III-3-3
|
| 23284 |
patroonheilige, kerkpatroon |
patroon (<fr.):
1) menne petroeën (m)
ne petroeën (K317a Kerkhoven)
|
Een patroon: uitspraak. [ZND 40 (1942)]
III-3-3
|
| 33562 |
peen, wortel |
poten:
poete (K317a Kerkhoven),
stoppelpoten:
mn de gele peen, voederplant
stoppelpoete (K317a Kerkhoven),
veldpoten:
mn de gele peen, voederplant
veltpoete (K317a Kerkhoven)
|
I-7
|
| 30887 |
pek |
pek:
pɛk (K317a Kerkhoven)
|
De kleverige, zwarte massa die de schoenmaker gebruikt om een draad mee in te smeren. [N 60, 197b; N 36, 44; L 40, 38]
II-10
|
| 30885 |
pekdraad |
pikdraad:
pekdrǭt (K317a Kerkhoven)
|
De draad die men maakt door hennepvezels in elkaar te draaien en met pek in te smeren. [N 60, 195a; N 60, 238a; N 36, 44; L 40, 39]
II-10
|
| 17717 |
penis |
kulletje:
Kinderwoord.
kulleke (K317a Kerkhoven),
lul:
Gemeen
lul (K317a Kerkhoven),
pin:
pin (K317a Kerkhoven),
pisje:
piske (K317a Kerkhoven),
pisser:
pisser (K317a Kerkhoven)
|
[N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34116 |
penis van de stier |
pisser:
pesǝr (K317a Kerkhoven)
|
Mannelijk geslachtsorgaan. [JG 1a, 1b]
I-11
|
| 21415 |
pennenhouder |
pennenstok:
pennestok (K317a Kerkhoven)
|
pennenhouder [ZND 40 (1942)]
III-3-1
|
| 28656 |
pershoning |
uitgeperste honing:
uitgeperste honing (K317a Kerkhoven)
|
Honing die men verkrijgt door de raten te persen, zodat de honing eruit loopt. Na verwijdering van de blanke, gave stukken raathoning doet men de onregelmatige stukken honingraat, nog niet verzegelde honing, open en gesloten broed, stuifmeelraten, grof werk, moerdoppen, dode bijen en ander afval in zakken van kaasdoek. Deze legt men in de honingpers, waarin ze onder grote druk de nog resterende honing prijs geven (De Roever, pag. 167). Deze geperste honing blijft echter na zeven en klaren toch een produkt van mindere kwaliteit. [N 63, 116b; N 63, 115d; N 63, 115c; JG 1a; monogr.]
II-6
|
| 18281 |
pet: algemeen |
klak:
klak (K317a Kerkhoven)
|
pet, muts, klak [RND]
III-1-3
|