18944 |
karakter (aard) |
karakter:
karakter (L298p Kessel)
|
karakter [SGV (1914)]
III-1-4
|
24072 |
kardinaal |
kardinaal (<fr.):
kardinaal (L298p Kessel)
|
Een kardinaal. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
20653 |
karnemelk |
botermelk:
botermelk (L298p Kessel),
botǝrmɛlǝk (L298p Kessel),
butǝrmęlǝq (L298p Kessel),
bōtǝrmęlk (L298p Kessel)
|
De voeistof die van de room overblijft als de boter gemaakt is. Op de kaart is het woordtype botermelk niet opgenomen. [L 1u, 103; L 27, 30; JG 1a, 1b; R 3, 49 en 71; S 17; S 23 add.; A 7, 16; RND 100; Gwn 10, 3; Vld.; monogr.]
I-11
|
34249 |
karnen |
stoten:
štōtǝ (L298p Kessel)
|
Het op en neer bewegen van de vetdeeltjes in de melk of room, zodat deze zich aan elkaar hechten en op die manier boter vormen. Boter maken. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [S 17; L 1a-m; L 1u, 114; L 6, 7; L 22, 8; L 27, 68; A 7, 23; A 28, 7; Ge 22, 8; Vld.; monogr.; add. uit N 12; A 16; S]
I-11
|
34252 |
karnschijf |
plankje:
plɛŋkskǝ (L298p Kessel)
|
Van gaatjes voorziene plank die aan de onderzijde van de karnstaf is bevestigd. [A 16, 8c; N 12, 52; N 12 add.]
I-11
|
34251 |
karnstaf |
stander:
štɛnjǝr (L298p Kessel),
stek:
štęk (L298p Kessel),
stoter:
štūu̯tǝr (L298p Kessel)
|
Boterstoter bestaande uit een stok met een aan de onderzijde bevestigde plank die van gaatjes is voorzien. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [A 7, 19, 20, 21 en 23; A 16, 8, 8a, 8b en 8c; L 22, 8; L 27, 67 en 68; JG 1a, 1b, 1c; Ge 22, 18, 19 en 20; monogr.; add. uit: N 5A (I]
I-11
|
34250 |
karnvat |
bottervat:
[botter]vāt (L298p Kessel),
stand:
štanj (L298p Kessel)
|
Botervat waarbij de karnstaf (zie het lemma ''karnstaf'' (12.3) in deze aflevering) met de daaraan bevestigde schijf in een op- en neergaande beweging wordt gebracht. Dit vat, waarin de melk tot boter gekarnd wordt, kan van verschillende materialen gemaakt worden. Vaak was het van hout (kersenhout kērs in L 329) of steen en soms van metaal, bijvoorbeeld van een omgebouwde melkbus (melkbus męlǝkbøs in L 322a, melktuit męlǝktø̜i̯t in L 163, 164 en 165, tuit tø̜i̯t in L 373). Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering.' [A 7, 19, 19a en 23; A 16, 8a; L 1a-m; L 22, 8 add.; L 27, 67 en 68; JG 1a, 1b, 1c, 2c; S 17; Ge 22, 11, 15 en 16; monogr.; add. uit N 5A (I]
I-11
|
24333 |
karper |
karp:
kerp (L298p Kessel)
|
karper [SGV (1914)]
III-4-2
|
33694 |
karrenspoor |
aardweg:
ērtwēx (L298p Kessel),
vaarleis:
vārlē̜i̯s (L298p Kessel),
vārlęi̯s (L298p Kessel),
veldweg:
vɛljtjwęx (L298p Kessel),
zandweg:
zanjtjwēx (L298p Kessel)
|
Een niet-verharde weg met geulen die zijn ontstaan door het uitschuren van karwielen. [A 21, 2a; A 21, 2b; N 18, 40; monogr.]
I-8
|
19695 |
kast |
kast:
kas (L298p Kessel)
|
kast [SGV (1914)]
III-2-1
|