| 32907 |
ijzeren gaffel, oogstgaffel |
gaffel:
gafǝl (L369p Kinrooi),
schudgaffel:
šø̄t˲gafǝl (L369p Kinrooi)
|
Twee- of drietandige ijzeren vork, met lange, enigszins gebogen tanden en een lange houten steel, gebruikt om hooi of korenschoven op te steken en op de wagen te laden. Zie afbeelding 10, b. Voor het voorkomen van de term riek en van varianten van het type gāfel, zie de toelichting bij het lemma ''houten gaffel''. Voor de fonetische documentatie van het woorddel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 27; JG 1a, 1b; A 28, 2; L 1 a-m; L 16, 18a; L B2, 241; Lu 6, 2; S 9; Wi 3; Av 1 III 5a, b; monogr.]
I-3
|
| 33634 |
ijzeren haak aan de puthaak |
puthaak:
pøthōͅk (L369p Kinrooi)
|
[N 12 (1961)]
I-7
|
| 17846 |
in beweging komen |
aan de gang komen:
anegang komme (L369p Kinrooi),
gang komen:
gang komme (L369p Kinrooi),
op gang schieten:
op gang sjete (L369p Kinrooi)
|
In beweging komen (op gang komen, (zich) roeren, bewegen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 20442 |
in de doodskist leggen |
kisten:
kiste (L369p Kinrooi)
|
een dode in de doodskist leggen [lichteren, kisten] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 17878 |
in de rug slaan (met de vuist) |
doffen:
dofe (L369p Kinrooi),
doffe (L369p Kinrooi)
|
Met de vuist in de rug slaan (doffen, dompen, stompen, stoten, sjtokken) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 20684 |
in de schil gekookte aardappelen |
varkensaardappelen:
Syst. Frings (?)
vɛrkəs˂ɛ̄rpəl (L369p Kinrooi)
|
In de schil gekookte aardappelen (zwelmennekes?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 19449 |
in de tuin werken |
hoven:
(= iets zaaien)
h‧ōvə (L369p Kinrooi),
in de hof werken:
bv. g€.j\\ (=wieden zonder werktuig). ß?of\\l\\ (= wieden met schoffel)
en dən hō.f we.rəkə (L369p Kinrooi)
|
Een tuin verzorgen (in de hof werken, hovenieren, hoven) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 22786 |
in een beek baden |
waden:
in ein beek waaje (L369p Kinrooi)
|
In een beek baden. [ZND 33 (1940)]
III-3-2
|
| 19924 |
in het sop doen |
luteren:
lø̄tərə (L369p Kinrooi)
|
in het zeepsop steken [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|
| 18227 |
in lompen gekleed |
schabbetig:
sjeppetig gekleidj (L369p Kinrooi),
schamel:
šɛ̄:məl (L369p Kinrooi)
|
In lompen gekleed [haveloos, schab(be)tig, schamel, lommelig] [N 114 (2002)]
III-1-3
|