| 20669 |
lammetjespap |
boekweitsmeelpap:
Syst. Veldeke
bokesmèelpap (L369p Kinrooi),
boekweitspap:
Syst. Frings (?)
boͅu̯kəspap (L369p Kinrooi)
|
Pap van boekweitmeel (lemmekespap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34586 |
lamoen |
gestel:
gǝstęl (L369p Kinrooi)
|
Het voorstel in z''n geheel: de twee berries en de verbindingsscheien. De benaming voor het lamoen komt voornamelijk voor in het zuidoosten van Belgisch Limburg en in het zuiden van Nederlands Limburg. [N 17, 50b + 90; N G, 54b + 56h + 64a; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2c; L 32, 63; L 34, 10; A 27, 20; Lu 5, 20]
I-13
|
| 19485 |
lampenpit |
wiek:
wēk (L369p Kinrooi),
van wiek
weëk (L369p Kinrooi)
|
lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18164 |
lancet |
scherp mesje:
sjerp meske (L369p Kinrooi)
|
Lancet: plat mesje met fijne punt en zeer scherpe snede, in de chirurgie gebruikt (vlim, lancet, scherp mesje). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 21145 |
landauer |
landauer:
landauer (L369p Kinrooi)
|
Vierwielig rijtuig voor vier personen met afzonderlijk neerklapbare voor- en achterkap. Tegenwoordig wordt het nog wel eens als bruidswagen gebruikt. De koetsier heeft een aparte bok. [N 101, 13; N G, 51; L 27, 33; monogr.]
I-13
|
| 32822 |
landrol |
wel:
wɛl (L369p Kinrooi)
|
De vroeger houten, later ijzeren rol om aard-kluiten van geploegd land te breken, de akker vlak te maken, het zaad in de aarde vast te drukken, enz. Zie afb. 81 en 82. [JG 1a + 1b; N 11, 86; N 11A, 183 + 185; N J, 10 add.; N P, 20 add.; A 40, 9; monogr.]
I-2
|
| 17610 |
lange neus |
gevel:
gē:vəl (L369p Kinrooi),
lange snuffel:
lange snuffel (L369p Kinrooi),
lange snuit:
láŋ snū:t (L369p Kinrooi)
|
neus, Een lange ~ (fokker, domphoren, vonk, koker, kuit, gevel). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 20751 |
langwerpig wittebrood |
lang wit:
Syst. Veldeke
lank wit (L369p Kinrooi),
lange mik:
Syst. Frings (?)
laŋə meͅk (L369p Kinrooi)
|
Langwerpig wittebrood (peel?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34017 |
langzamer |
stilletjes:
stęlǝkǝs (L369p Kinrooi)
|
Voermansroep om het paard langzamer te doen gaan. [N 8, 95h en 96]
I-10
|
| 19599 |
lantaarn |
lantaarn:
lantēͅr (L369p Kinrooi),
lanti̯en (L369p Kinrooi)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || lantaarn [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|