| 22424 |
pijl |
pijl:
piel (L369p Kinrooi)
|
de dunne lichte staaf van hout met een scherpe punt die met een boog naar een doel wordt afgeschoten [pijl, bout, teit, straal, schicht] [N 112 (2006)]
III-3-2
|
| 17991 |
pijn |
pijn:
pin (L369p Kinrooi)
|
pijn [RND]
III-1-2
|
| 17992 |
pijnscheut |
kramp:
kremp (L369p Kinrooi),
pijnscheut:
piensjeut (L369p Kinrooi),
scheut:
sjeut (L369p Kinrooi)
|
Sterke kriebeling of trekking door pijn veroorzaken (morren, scheut, steek, kramp). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 33800 |
pijpbeen |
achterpoot:
axtǝrpūǝt (L369p Kinrooi),
pijp:
pīp (L369p Kinrooi)
|
Het gedeelte van het voorbeen van het paard tussen de knieschijf en de koot tot aan de kogel. Het ondereinde van het pijpbeen vormt het kootbeen. Zie afbeelding 2.23. [JG, 1b; N 8, 32.1, 32.3, 32.6, 32.11, 32.14, 32.15 en 32.16]
I-9
|
| 17794 |
pijpenkrul |
pijpenlok:
piepelok (L369p Kinrooi)
|
Pijpenkrul. Spiraalvormige haarkrul [pijpenkrul, pijpenlok, papillote] [N 114 (2002)]
III-1-1
|
| 33055 |
pikbinder |
pikbinder:
pek˱benjǝr (L369p Kinrooi)
|
Machine die niet alleen maait, maar het koren ook tot schoven samenbindt. Zie afbeelding 6. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [machine] zie het lemma ''maaimachine'' (3.2.18) in aflevering I.3. Kaart 36 is een woordkaart gebaseerd op het materiaal uit dit lemma; kaart 37 is een betekeniskaart, gebaseerd op het materiaal uit dit lemma èn het lemma ''graanmaaimachine'' (4.5.2) en toont waar men met de termen zicht- en pikmachine ofwel de enkelvoudige maaimachine ofwel de combinatiemachine, pikbinder, aanduidt.' [N J, 4a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 33033 |
pikkeling, zwad met een slag afgepikt |
slag:
slax (L369p Kinrooi),
snede:
snē (L369p Kinrooi)
|
Hoeveelheid graan die men met één slag afpikt; vergelijk het lemma ''zwad, houw'' (3.1.4) in aflevering I.3. De enqu√™tes van Goossens hebben voor dit begrip niet veel opgaven opgeleverd; de vraag uit N 15, 16 levert slechts indirect materiaal op voor het begrip "pikkeling". Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf.' [A 23, 16.1a; L 48, 34.1a; Lu 1, 16.1a; Lu 2, 34.1a; monogr.; add. uit N 15, 16e; JG 1a, 1b, 1c, 2c]
I-4
|
| 24225 |
pimpelmees |
pimpeltje:
pympəlkə (L369p Kinrooi)
|
pimpelmees (11,5 blauwe kop, gele onderkant; nogal bekend, komt voor als koolmees [052] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17670 |
pink |
pink:
pēŋk (L369p Kinrooi),
pink (L369p Kinrooi)
|
Pink, de vijfde, kleinste vinger (pink (pinkel, pinker), kleine vinger). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 22732 |
pinstokken (voor de slee) |
ijspikken:
īspēkə (L369p Kinrooi),
pikken:
pēkə (L369p Kinrooi)
|
pikstokken waarmee de kinderen een slee (waarop ze zitten) voortduwen [N 08 (1961)]
III-3-2
|