| 19530 |
tafelmes |
tafelmes:
taofelmes (L369p Kinrooi),
tōͅfəlmeͅs (L369p Kinrooi)
|
mes dat men aan tafel gebruikt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20476 |
tak van een geslacht |
familie:
famieliej (L369p Kinrooi)
|
de tak van een geslacht [natie, familie] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 24252 |
taling |
schuimeend:
šūmēͅnj (L369p Kinrooi)
|
eend: wintertaling (36 klein; bruine kop met groene wangen; broedt hier ook; roep [kruu, kruu] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33777 |
tand, tanden |
tand(en):
tā.njtjš (L369p Kinrooi
[(mv tɛnj)]
)
|
Achter het codenummer van de plaats is de meervoudsvorm vermeld. Voor een aantal plaatsen beschikken wij evenwel alleen over de enkel- of meervoudsvorm; deze laatste citeren wij als eerste. [JG 1a, 1b; N 8, 17]
I-9
|
| 18731 |
tanden poetsen |
tanden poetsen:
táénj pútsə (L369p Kinrooi),
tanden wassen:
tenj wasse (L369p Kinrooi)
|
Tanden poetsen [t. wassen] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 32914 |
tanden van de hooihark |
tanden:
tɛnj (L369p Kinrooi)
|
De houten pennen die aan beide zijden uit de dwarsbalk van de hooihark steken; zie afbeelding 11, d. Alle opgaven zijn in het meervoud. [N 18, 92d]
I-3
|
| 18728 |
tandenborstel |
tandborstel:
tandjbeustel (L369p Kinrooi),
tandborsteltje:
tandjbeustelke (L369p Kinrooi),
tandenborstel:
tānəbø̄:stəl (L369p Kinrooi)
|
Een tandenborstel [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18732 |
tandenstoker |
tandenstoker:
tāndəstō:kəR (L369p Kinrooi),
tandpeuteraar:
tandjpeuteraer (L369p Kinrooi)
|
Een tandenstoker. Een puntig voorwerp waarmee men voedselresten verwijdert die tussen tanden zijn blijven zitten [tandenstoker, kloker, koter] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18729 |
tandpasta |
tandpasta:
tandjpasta (L369p Kinrooi),
tāntpasta: (L369p Kinrooi)
|
Tandpasta [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18068 |
tandpijn |
tandpijn:
tantpīn (L369p Kinrooi)
|
Kiespijn. Ik heb kiespijn. [Lk 05 (1955)]
III-1-2
|