| 23960 |
godslastering |
godslastering:
godslastering (Q111p Klimmen),
n godslastering (Q111p Klimmen),
vloek:
vlook (Q111p Klimmen)
|
Een godslastering, blasfemie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 30629 |
goed besleten kwast |
fijn besleten kwast:
fęjn bǝšliǝtǝ kwas (Q111p Klimmen),
goed gebruikte verfkwast:
gōt ˲gǝbrūk˱dǝ vɛrǝfkwas (Q111p Klimmen)
|
Kwast waarvan de haarbundel door het gebruik op een goede manier is afgesleten. Een goed besleten kwast geeft doorgaans verfwerk met weinig of geen strepen. [N 67, 31a]
II-9
|
| 28125 |
goed dak |
goed hangende:
gōt hɛŋǝndǝ (Q111p Klimmen
[(Oranje-Nassau I / III / IV)]
[Emma])
|
Een goed dak laat bij het afkloppen een scherpe, helle klank horen. Het bestaat uit vaste steen. [N 95, 890]
II-5
|
| 34172 |
goed liggen |
goed:
gōwt (Q111p Klimmen)
|
Het kalf ligt goed in de baarmoeder: de voorpoten zullen het eerst naar buiten komen. [N 3A, 51]
I-11
|
| 19237 |
goed opschieten met zijn werk |
avanceren:
(Fr. avancer).
avvensére (Q111p Klimmen)
|
goed opschieten met zijn werk [plakken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33826 |
goed uit de weg kunnend |
viervoetig:
vērvø̄tex (Q111p Klimmen)
|
Gezegd van een paard dat goed te been is. [N 8, 64d]
I-9
|
| 21959 |
goed voederen |
goed voederen:
good vore (Q111p Klimmen)
|
Hoe heet verder in Uw dialect: goed voederen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 33919 |
goedaardige droes |
krop:
krø̜p (Q111p Klimmen),
krǫp (Q111p Klimmen)
|
Een infectieziekte in de keelstreek die vooral jonge paarden aantast. Tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte verloopt ongeveer èèn week. Dan treedt koorts op, gepaard met ontsteking van het neusslijmvlies, waarbij veel slijm wordt afgescheiden, dat na enkele dagen etterig wordt. Typisch voor deze ziekte is de klierzwelling tussen de beide takken van de onderkaak; snel wordt de gezwollen klier dan week, verettert en breekt door. Gewoonlijk verloopt de ziekte goedaardig. [A 48A, 28b; N 8, 89 en 90a; N 52, 15b, 24 en 25; monogr.]
I-9
|
| 34120 |
goede vleeskoe |
klaskoe:
klaskǫw (Q111p Klimmen),
soortkoe:
sǭrtkǫu̯ (Q111p Klimmen)
|
Breedgebouwde en goed in het vlees zittende koe. [N 3A, 141b]
I-11
|
| 23796 |
goede vrijdag |
goede vrijdag:
d`r gówwe Vriedig (Q111p Klimmen),
goëe vriedig (Q111p Klimmen)
|
De vrijdag in de week vóór Pasen, Goede vrijdag [Kaarvriediech]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|