| 31615 |
hoefnagels |
hoefnagels:
hūfnǭgǝls (K314p Kwaadmechelen)
|
De lange nagels waarmee de hoefijzers aan de hoeven bevestigd worden. Een hoefnagel bestaat uit een kop, kling en zwik of punt. Hoefnagels werden vroeger door de smid zelf gesmeed, tegenwoordig worden zij industrieel vervaardigd. Zie ook afb. 232. Franse hoefnagels hebben een vierkante kop in de vorm van twee afgeknotte pyramides die met de basis tegen elkaar liggen. De onderste pyramide gaat bij dit type over in de kling. Engelse hoefnagels, ook ritsnagels genoemd, hebben een kleine, langwerpig vierkante kop waarvan de buitenvlakte schuins naar de kling overgaat, terwijl de binnenvlakte recht of bijna recht is. De kop van de Engelse hoefnagel past in de groef of rits van het ritsijzer. [N 33, 367a; N 33, 367b; JG 1a; JG 1b; monogr.]
II-11
|
| 31178 |
hoefsmid |
smid:
smęt (K314p Kwaadmechelen)
|
Smid die hoefijzers smeedt en paarden beslaat. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen haakjes geplaatste woorddelen het lemma "smid". [N 33, 2; monogr.; JG 1a; JG 1b]
II-11
|
| 31592 |
hoefstal, noodstal |
hoefstal:
hūfstal (K314p Kwaadmechelen)
|
Een uit houten planken of metalen buizen vervaardigd gestel dat vóór of in de smidse is opgesteld. Wanneer een paard moet worden beslagen, wordt het in de hoefstal geplaatst. Zie ook afb. 220. [N 33, 6; N 33, 374; S 14; L 1a-m; L 1u, 96; L B2, 278; A 43, 15; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
II-11
|
| 33646 |
hoek van een stuk land |
tip:
tø̜p (K314p Kwaadmechelen)
|
Een hoek of punt van een stuk land. [N P, 1; A 33, 10; monogr.]
I-8
|
| 22871 |
hoekschop |
corner (eng.):
körnə (K314p Kwaadmechelen)
|
Hoekschop. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|
| 18319 |
hoepelrok |
repenrok:
riëperok (K314p Kwaadmechelen),
riəpərok (K314p Kwaadmechelen)
|
hoepelrok [reekerok] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 34619 |
hoepels van de huifkar |
repen:
riǝpǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Houten hoepels waarover de huif gespannen werd. De hoepels werden in krammen tegen de zijplanken bevestigd. Meestal waren er vijf, waarvan de voorste naar voren helde. [N 17, 74 + 99]
I-13
|
| 18018 |
hoesten |
hoesten:
hŭstən (K314p Kwaadmechelen)
|
hoesten [ZND A2 (1940sq)]
III-1-2
|
| 32937 |
hoeveelheid hooi die men opsteekt |
armvol:
ɛlǝvǝrt (K314p Kwaadmechelen)
|
De hoeveelheid hooi die de opsteker in één keer met z''n gaffel aangeeft aan de optasser. Zie voor het vocalisme van het woordtype riek de opmerking in de semantische toelichting bij het lemma ''houten schudgaffel'' en bij het lemma ''hooihark''.' [N 14, 118; A 34, 5a]
I-3
|
| 18307 |
hoge herenschoen |
bottine:
bottennnə (K314p Kwaadmechelen),
boͅtenə (K314p Kwaadmechelen),
hoge mansschoen:
huəgəmānsXunə (K314p Kwaadmechelen),
hoge herenschoenen, ook bottines genoemd
hoeəgəmaanschoenə (K314p Kwaadmechelen),
hoge schoen:
hoeəgə schoenə (K314p Kwaadmechelen),
huəgəsXunə (K314p Kwaadmechelen)
|
herenschoenen, hoge ~ [N 24 (1964)] || sokschoenen, hogemanschoenen, in de betekenis van soort schoen; betekenis/uitspraak [N 24 (1964)]
III-1-3
|