| 32536 |
korf |
korf:
kørǝf (K314p Kwaadmechelen)
|
In het algemeen een uit wissen gevlochten en van een hengsel voorziene mand. Zie ook afb. 284. [N 20, 53; N 40, 37; monogr.]
II-12
|
| 24194 |
korhoen |
kemphaan:
doorgaans Frings, soms eigen spelling
keͅmphoͅn (K314p Kwaadmechelen)
|
korhoen (53 vrij zeldzame heidevogel; haan staalblauw, hen bruin en kleiner; houdt in het voorjaar pronkbijeenkomsten op een open plek op de hei [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24539 |
kornoelje (alg.) |
konkernoelje:
ook: ZND 28, vr. 32
kōͅnste-noelie (K314p Kwaadmechelen),
kornoelje:
IPA, omgesp.
kərnøjə (K314p Kwaadmechelen)
|
De kornoelje. Gele kornoelje me gele bloemen en karmijnrode vruchten, 3-7 m hoog; de geelbruine schors schilfert in kleine schubben af. [N 82 (1981)] || kornoelje [ZND 01 (1922)]
III-4-3
|
| 24689 |
kornoeljesoorten |
rode kornoelje:
IPA, omgesp. Rode Kornoelje
ruə kərnøjə (K314p Kwaadmechelen),
witte kornoelje:
IPA, omgesp. Witte kornoelje
wiʔə kərnøjə (K314p Kwaadmechelen)
|
De kornoelje. De witte kornoelje; struik met witte bloemen en witte bessen, 2-3 m hoog; takken aan de zonzijde rood, in de schaduw geel. [N 82 (1981)] || De kornoelje. Rode kornoelje; struik met witte bloemen en blauwzwarte bessen; 2-5 m hoog; takken aan de zonzijde purperrood en aan de schaduwkant groen (kroelie, kornoelje). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 21500 |
korporaal |
korporaal:
koporaol (K314p Kwaadmechelen),
korporaal (K314p Kwaadmechelen)
|
korporaal [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 18604 |
korset |
korset (<fr.):
kərsē (K314p Kwaadmechelen)
|
korset, rijglijf om de taille [rijlief, rellif, relf, ruls, stiklijst, stiflijk] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18361 |
kort onderrokje |
onderrokje:
undərøkskə (K314p Kwaadmechelen),
ònderrökske (K314p Kwaadmechelen)
|
onderrokje, kort ~ [piszieëlke, poeprökske] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18330 |
kort schortlint |
gatlint:
gatlinʔə (K314p Kwaadmechelen),
gatlinten
gatlinʔə (K314p Kwaadmechelen)
|
linten, korte ~ waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden [gatslinte, gatlinter] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18013 |
kortademig |
dempig:
hij`s dembmig (K314p Kwaadmechelen)
|
hij is dempig (kan moeilijk ademen) [ZND 23 (1937)]
III-1-2
|
| 18287 |
korte broek |
fluitjesbroek:
fluj’əsbruk (K314p Kwaadmechelen),
korte broek:
ku’əbruk (K314p Kwaadmechelen)
|
broek, korte (jongens)~ die de knieën onbedekt laat [N 23 (1964)]
III-1-3
|