24133 |
broedsel |
broedsel:
brui̯ǝsǝl (K314p Kwaadmechelen)
|
[L A2, 357; monogr.]
I-12
|
18744 |
broek |
achterlap:
axtǝrlap (K314p Kwaadmechelen)
|
De horizontale riem van het achterhaam die om de billen van het paard loopt. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 75; monogr.]
I-10
|
18197 |
broek: algemeen |
broek:
bruk (K314p Kwaadmechelen, ...
K314p Kwaadmechelen)
|
broek in het algemeen [boks, sjmeek, brits] [N 23 (1964)] || broek met een split aan de voorkant [fluitjesbroek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
33985 |
broekkettingen |
ketten:
ke ̞ʔǝ (K314p Kwaadmechelen),
kettingen:
ke ̞ʔeŋk (K314p Kwaadmechelen)
|
Kettingen waarmee de broek van het achterhaam aan de berries is vastgemaakt. [N 13, 79]
I-10
|
18423 |
broekspijp |
broeksenpijp:
bruksəpeͅpə (K314p Kwaadmechelen)
|
pijpen van een broek [bokspijpe, broeksepejpe] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
18309 |
broeksriem |
broeksenband:
bruksebant (K314p Kwaadmechelen),
broeksriem:
bruksrim (K314p Kwaadmechelen)
|
band of riem waarmee de broek in de taille wordt opgehouden [boekreem, boekband, boksemband] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
18397 |
broeksriem? |
riem:
rīm (K314p Kwaadmechelen)
|
riem [ZND A2 (1940sq)]
III-1-3
|
18551 |
broekzak achter |
achterste buideltje:
axərsəbul’jə (K314p Kwaadmechelen)
|
zak aan de achterkant van de broek [konttes, votteske] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
18549 |
broekzak opzij |
broeksenbuidel:
bruksəbøͅl (K314p Kwaadmechelen)
|
broekzak opzij [broeksebuil, boksetes, boksenbool, venget] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
20335 |
broer |
broer:
1a-m; 4, 33; 5, 70a; 11, a1; cf. WNT s.v. "broeder - broêr"gewestelijk broêre, breur, bruur enz.
brŭŭr (K314p Kwaadmechelen)
|
broeder (familielid) [ZND 01 (1922)]
III-2-2
|