| 20499 |
drinken |
blussen:
bløsə (K314p Kwaadmechelen),
lessen:
leͅsə (K314p Kwaadmechelen)
|
drinken; Hoe noemt U: De dorst doen ophouden (lessen, blussen, verslaan) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 34333 |
drinken bij de zeug |
lotsen:
lotsǝ (K314p Kwaadmechelen)
|
Het zuigen of drinken bij de zeug, gezegd van de big. [N 19, 21a]
I-12
|
| 19574 |
drinkglas |
pint:
pent (K314p Kwaadmechelen),
pint (K314p Kwaadmechelen)
|
drinkglas [RND] || drinkglas zonder voet [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19562 |
drinkglas met voet |
kapper:
kapper (K314p Kwaadmechelen)
|
drinkglas met een voet (kapper, kopper(tje)) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 33672 |
drinkkuil in de wei |
drinkkot:
dreŋkot (K314p Kwaadmechelen)
|
Een kuil in het weiland met drinkwater voor het vee. De woordtypen drinkput en put duiden op een put gemaakt van cementen ringen. [N 14, 70; A 21, 1h; monogr.]
I-8
|
| 20564 |
droesem |
dik:
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
dik (K314p Kwaadmechelen),
droes:
drūs (K314p Kwaadmechelen)
|
droesem [ZND 23 (1937)] || droesem; Hoe noemt U: Bezinksel in een wijnfles (droesem, dras) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 32904 |
drogen, droog worden (van gemaaid gras) |
dlw)ø̜ø̜:
vǝrstørǝvǝn (K314p Kwaadmechelen)
|
Het droog worden, gezegd van gemaaid gras. [N 14, 90; monogr.]
I-3
|
| 20507 |
dronkaard |
zatlap:
zatlap (K314p Kwaadmechelen)
|
dronkaard; Hoe noemt U: Iemand die voortdurend dronken is (dronkaard, zatlapper, zwanzer, boemelaar, alcoholist) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25232 |
droog blijven |
droog blijven:
dryəx bleͅvə (K314p Kwaadmechelen),
openblijven:
opə bleͅvə (K314p Kwaadmechelen),
t blijft over]:
ət trɛkt tøͅjər (K314p Kwaadmechelen)
|
droog blijven hoewel er regen dreigt, gezegd van het weer [t weert heen [N 22 (1963)] || droog blijven, gezegd van het weer [overblijven] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25128 |
droog weer |
droog:
drûûch (K314p Kwaadmechelen),
Algemene opmerking: lijst omgespeld volgens IPA!
dryəx (K314p Kwaadmechelen)
|
droog [DC 45 (1970)], [RND]
III-4-4
|