| 34276 |
scheukpaal |
schuurpaal:
šōrpǭl (Q088p Lanaken)
|
Een paal in de weide waaraan het vee zich kan schuren. [N 14, 69; S 31; monogr.]
I-11
|
| 29113 |
scheur |
scheur:
šø̜̄r (Q088p Lanaken)
|
Scheur in een kledingstuk. Zie wat betreft het woordtype vijf de toelichting bij het lemma ɛwinkelhaakɛ.' [N 59, 192a; N 62, 43b]
II-7
|
| 26397 |
scheut |
scheut:
šø̄.t (Q088p Lanaken),
šø̄t (Q088p Lanaken),
schot:
šō.t (Q088p Lanaken)
|
Uitspruitsel van een plant, inzonderheid de aardappel. Vaak is er een meervoud gevraagd of opgegeven; vaak ook zijn de enkelvoudsvormen gelijk aan de meervoudsvormen. Alleen wanneer uitdrukkelijk de meervoudsvormen werden gevraagd en opgegeven, zijn deze ook hier opgenomen. Bij de verkleinwoorden onder het type scheutje is het ondoorzichtig of het om het grondwoord scheut of schot gaat. Kien moet begrepen worden als een contaminatie van kiem (voor de klinker) en kijn (voor de slotmedeklinker). Zie ook het lemma Uitlopers Van Kuilaardappelen. [N M, 16a; JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 1u, 120; L B2, 282; S 17; S 31; monogr.; add. uit L 30, 39; S 22]
I-5
|
| 21365 |
schieten |
schieten:
šetǝ (Q088p Lanaken)
|
Gezegd van water wanneer het niet langer gehinderd wordt in zijn vrije loop. [Vds 30; Jan 91; Coe 56; Grof 80]
II-3
|
| 26396 |
schietzolder |
schuif:
šø̜jf (Q088p Lanaken)
|
Het eerste gedeelte van de watergoot waar de snelheid van het water wordt vergroot. Daarna loopt het water over een recht stuk, de baard, naar een gedeelte dat de ronding heeft van het rad, de hals. Zie ook het lemma ɛwatergoot bij onderslagmolensɛ.' [Vds 59; Coe 55]
II-3
|
| 34271 |
schijten |
kakken:
kakǝ (Q088p Lanaken),
schijten:
ši.tǝ (Q088p Lanaken)
|
Vaste ontlasting hebben, gezegd van vee. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 19765 |
schilderij |
schilderij:
šeldəreͅi̯ (Q088p Lanaken),
Karte 38.
schilderij (Q088p Lanaken)
|
Gemälde. || schilderij [ZND 06 (1924)]
III-2-1, III-3-2
|
| 21086 |
schimmel |
schimmel:
šømǝl (Q088p Lanaken)
|
Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31]
I-9
|
| 24491 |
schimmel (plantje) |
schimmel:
schummel (Q088p Lanaken)
|
schimmel [ZND 06 (1924)]
III-4-3
|
| 21244 |
schip |
schip:
`n scheep twie scheepen (Q088p Lanaken),
schoep, twie scheep, klei scheepke (Q088p Lanaken),
šēp (Q088p Lanaken)
|
een schip, twee schepen [ZND 42 (1943)] || Een schip, twee schepen, een klein scheepje. [ZND 06 (1924)] || schip [RND]
III-3-1
|