| 21304 |
buurvrouw |
nabuur:
noabər (Q088p Lanaken),
nabuurse:
naoberse (Q088p Lanaken),
nabuurvrouw:
noͅbərvrouw (Q088p Lanaken)
|
buurvrouw [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 18557 |
capuchon |
kap:
kap (Q088p Lanaken)
|
de capuchon [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 33749 |
castreren |
boeten:
bø̄tǝ (Q088p Lanaken),
snijden:
snęi̯.ǝ (Q088p Lanaken),
snęi̯ǝ. (Q088p Lanaken)
|
Een mannelijk paard onvruchtbaar maken door de teelballen weg te snijden; men spreekt dan van een ruin. Vgl. het lemma ''ruin'' (2.1.3). [JG 1a, 1b; N 8, 60] || Het varken onvruchtbaar maken. Mannelijke varkens castreert men door ze de teelballen weg te nemen. [N 76, 44; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12, I-9
|
| 32895 |
cementen strekel |
slijpsteen:
slī.pstęi̯.n (Q088p Lanaken)
|
Houten lat van ongeveer 40 cm., waarop aan beide zijden een laagje cement (amaril) is aangebracht. Zie de algemene toelichting bij deze paragraaf en afbeelding 9, nummer 4. Waar het woord(deel) streek of strekel identiek is aan de opgave voor "strekel" in dezelfde plaats, wordt door middel van de notatie (streek) of (strekel) voor de fonetische documentatie verwezen naar het lemma ''strekel''. [JG 1a, 1b; add. uit N 18, 80 en 82]
I-3
|
| 18522 |
colbert met twee rijen knopen |
jas op twee rijen:
jas op twi reͅjə (Q088p Lanaken),
tweerijjas:
twireͅj jas (Q088p Lanaken)
|
een colbert met twee rijen knopen [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18521 |
colbert met één rij knopen |
eenrijjas:
eͅjnreͅj jas (Q088p Lanaken),
jas met een rij:
jas meͅt eͅjn reͅj (Q088p Lanaken)
|
een colbert met een rij knopen [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18518 |
colbertjasje |
jas:
jas (Q088p Lanaken)
|
het colbert [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 28731 |
coupeur |
coupeur:
kupø̄r (Q088p Lanaken)
|
Knipper of kleermaker die de maat neemt en de stof snijdt. [N 59, 197b]
II-7
|
| 32810 |
cultivator, extirpator |
extirpator:
ɛkspãtǝr (Q088p Lanaken)
|
De cultivator, extirpator of woeleg is een 3- of 4-wielig of op twee lopers voortglijdend akkerwerktuig met op een schaar eindigende tanden, die d.m.v. een hefboom tegelijk versteld kunnen worden. Aan het raam van een wielcultivator zitten 5 of meer C-vormige veertanden (zie afb. 77) of rechte stelen (zie afb. 78), die elk van een pijlvormige beitel, resp. een kleine dubbelschaar zijn voorzien. Dit lemma betreft de cultivator in het alge-meen. Voor termen die op de sleepcultivator toepasselijk zijn, zie men het volgende lemma. Wat in het onderstaande met ''eg'' en ''eg'' bedoeld wordt, is aangegeven in het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b+ 1d + 2c; N 11, 78a; N 11A, 150a + c; N J, 10; N 18, 52 add.; div.; mono-gr.]
I-2
|
| 24327 |
daas (tabanidae) |
zap:
zap (Q088p Lanaken)
|
insect I [Goossens 1b (1960)]
III-4-2
|