| 29996 |
metselzand |
zand:
zant (L422p Lanklaar),
zavel:
zāvǝl (L422p Lanklaar)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 20123 |
miauwen |
mauwen:
mauə (L422p Lanklaar)
|
miauwen [Goossens 1b (1960)]
III-2-1
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
middig (L422p Lanklaar)
|
middag [ZND 38 (1942)]
III-4-4
|
| 27612 |
middagdienst, late dienst |
middagpost:
medǝxpost (L422p Lanklaar
[(Eisden)]
[Zwartberg, Waterschei]),
middagschicht:
medǝxšixt (L422p Lanklaar
[(Eisden)]
[Emma, Maurits])
|
De werktijd van ''s middags 2 uur tot ''s avonds 10uur. Volgens Defoin (pag. 209) wordt de namiddagdienst in de pijlers waar de kolenwinning tijdens de morgendienst geschiedt, besteed aan het verplaatsen van de installaties en de nachtdienst aan de dakbreuk. In die waar de kolenwinning tijdens de namiddagdienst geschiedt, verricht men de verplaatsing van de installaties in de nachtdienst en de dakbreuk in de volgende morgendienst. Voor de middagdienst had men, volgens de informant van Q 15, een driekantige penning. Zie ook het lemma Controlepenning. [N 95, 117; monogr.; Vwo 509; Vwo 510; Vwo 807]
II-5
|
| 17838 |
middagdutje |
unger:
øn`ər (L422p Lanklaar),
ungeren (zn.):
unjërë (L422p Lanklaar)
|
middagdutje [ZND 01 (1922)] || middagslaapje [ZND B1 (1940sq)]
III-1-2
|
| 17839 |
middagdutje doen |
een uiltje vangen:
`n uëlkë vangë (L422p Lanklaar),
ungeren slapen:
nën unjërë sloapë (L422p Lanklaar)
|
een middagdutje doen [ZND 01 (1922)]
III-1-2
|
| 17668 |
middelvinger |
middenvinger:
middevinger (L422p Lanklaar)
|
Middelvinger: de middelste, langste vinger (middelvinger, middelste vinger, langeman, lang(st)e vinger). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 33785 |
middendeel van het paard |
romp:
ro.mp (L422p Lanklaar)
|
De middel- of middenhand van het paard, in tegenstelling met ''voorste deel van het paard tot achter de voorbenen'' (3.1.3) en ''achterhand van het paard'' (3.3.14). [JG 1a, 1b; N 8, 12]
I-9
|
| 31586 |
middennaafbanden |
banden:
(enk)
bã.nt (L422p Lanklaar),
beslag:
bǝslā.x (L422p Lanklaar)
|
De ijzeren banden om het brede gedeelte van de naaf, aan weerszijden van de spaken. Zie ook afb. 214 en de lemmata ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ.' [N G, 43e; N 17, 60; JG 1a; JG 1b; L 39, 22 add.; monogr.; div.]
II-11
|
| 24352 |
mier |
aamzeikel:
ook in ZND 08, 152a
mamzeikel (L422p Lanklaar),
aamzeiksel:
mamzeͅjksəl (L422p Lanklaar)
|
mier [ZND 01 (1922)], [ZND B2 (1940sq)]
III-4-2
|