| 32799 |
overhoeks eggen |
overoord [eggen]:
yǝvǝruǝ.rt (L422p Lanklaar),
ø̜vǝrǭǝrt (L422p Lanklaar)
|
Manier van eggen waarbij men met de eg schuin over de akker gaat. Men kan schuin in de lengterichting of schuin in de breedterichting eggen. Zie afb. 71. Nadat men een akker overhoeks geëgd heeft (om onkruid te bestrijden of om de grond gelijk te trekken), egt men hem gewoonlijk in de lengte af. Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting bij het lemma ¬¥eggen¬¥. [JG 1b + 1c + 1d + 2c; N 11, 84c; N 11A, 177c; div.; monogr.]
I-2
|
| 17889 |
overhoop halen |
ondersteboven gooien:
onderste boven goeie (L422p Lanklaar)
|
Overhoop halen (modden, onderste boven / ondereen / overhoop halen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 18553 |
overjas (alg.) |
duffel:
døffəl (L422p Lanklaar),
overjas:
y`øvərja.s (L422p Lanklaar),
øvərja.s (L422p Lanklaar),
pardessus (fr.):
pardəsy (L422p Lanklaar)
|
herenoverjas; inventarisatie huidige uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || herenoverjas; inventarisatie vero uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || overjas, lange ~, dik en warm [euverpalto, palzeer, jaager] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33897 |
overkoot |
doorknikken:
dǭǝrknekǝ (L422p Lanklaar)
|
Het voorwaarts doorknikken van de koot van het voorbeen van het paard als gevolg van een verstuiking of van een forcering door te hard te trekken. Zie afbeelding 13. [JG 1b; N 8, 73b, 93a, 93b en 95m]
I-9
|
| 32796 |
overlangs heen en weer eggen |
[eggen]:
[eggen] (L422p Lanklaar),
in de langeweg [eggen]:
en dǝ laŋǝwē̜.x (L422p Lanklaar)
|
Bedoeld wordt de manier van eggen, waarbij men in de lengterichting werkend, na het keren de volgende egbaan onmiddellijk (soms met een kleine overlapping) laat aansluiten bij de vorige. Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting bij het lemma ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c + 1d; JG 2c; N 11, 84a; N 11A, 176c + 189c; monogr.]
I-2
|
| 33051 |
overmouwen |
bindmouwen:
bęnjmǫu̯ǝ (L422p Lanklaar),
strompen:
strø.mpǝ (L422p Lanklaar)
|
De aflegger, en ook de binder (zie paragraaf 4.6), beschermde zijn armen tegen de stekende en snijdende halmen door er overmouwen overheen te schuiven. Vaak zijn het een paar oude kousen waarvan de teenstukken zijn afgeknipt; vandaar het type strompen: (afgesneden) kousen. [N 15, 54; JG 1a, 1b; monogr.]
I-4
|
| 25065 |
overschot, restant |
rammenant:
Zowat alle fiches van lijst 41 hebben hier als antwoord onbekend.
remenanten (L422p Lanklaar)
|
overschot [ZND 41 (1943)]
III-4-4
|
| 33742 |
paal van de weideafrastering |
weipaal:
wē̜i̯pǭl (L422p Lanklaar)
|
De meeste opgaven in dit lemma duiden op een paal uit de draadomheining rond een weide. Deze opgaven zijn ontleend aan de antwoorden op de vraag ø̄Hoe noemt u de paal van de weideafrastering?ø̄ (N 14, 64). Een aantal opgaven is ontleend aan de vraag naar het algemene woord voor ø̄paalø̄ (S 27). De antwoorden op beide vragen zijn in dit lemma ondergebracht. [N 14, 64; S 27; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 22804 |
paar of onpaar |
effen en oneffen:
effen en oneffen (L422p Lanklaar)
|
Paar of onpaar (een kinderspel, waarbij naar een even of oneven getal knikkers, enz. geraden wordt). [ZND 40 (1942)]
III-3-2
|
| 29635 |
paard |
paard:
pē̜rt (L422p Lanklaar)
|
[JG 1a, 1b; A 3, 4; A 11, 4; L 4, 4; L 5, 27c; L 22, 21; L 23, 1b; Gwn 5, 9a; R -s-; S 27; S 49; RND 60, 74; Wi 6, 17; monogr.; add. uit N 18]
I-9
|