| 19280 |
geen rust hebben |
geen rust hebben:
he hèt gein rus (L422p Lanklaar),
iə yt gɛin r^s (L422p Lanklaar),
iə ɛit gɛin r^s (L422p Lanklaar)
|
hij heeft geen rust [ZND 42 (1943)]
III-1-4
|
| 29054 |
geer |
geer:
giǝr (L422p Lanklaar)
|
Een naar boven spits uitlopende lap of strook waarmee men een kledingstuk van onderen verwijdt. [N 62, 11a; L 1a-m; L 23, 71; Gi 1.IV, 17; S 10; monogr.]
II-7
|
| 32746 |
geerakker |
kortvoren:
kǫrt˲vǭǝrǝ (L422p Lanklaar)
|
Onder een geerakker wordt hier verstaan dat deel van een akker dat gerend geploegd moet worden als de akker niet de vorm van een rechthoek of een parallellogram heeft. De benaming voor dit onderdeel is niet zelden ook op de gerende akker in zijn geheel toepasselijk. Opgaven die duidelijk de (geometrische) vorm of een scherpe hoek van een akker bleken te betreffen, zijn in dit lemma echter niet opgenomen. Zie verder ook het volgende lemma. [N 11, 4b + 64; N 11A, 127 + 137f + 137g; N P, 1; A 33, 9 add.; A 33, 10; JG 1a + 1b; JG 2b-4, 7; monogr.]
I-1
|
| 17834 |
geeuwen |
gapen:
gape (L422p Lanklaar),
gāpə (L422p Lanklaar)
|
gapen [N 10 (1961)] || geeuwen (als men slaperig is) [ZND 34 (1940)]
III-1-2
|
| 20796 |
geeuwhonger |
geerhonger:
giəroͅŋər (L422p Lanklaar),
geeuwhonger:
gīəoͅŋər (L422p Lanklaar)
|
geeuwhonger [ZND 01 (1922)] || geeuwhonger (ziekelijke honger) [ZND B1 (1940sq)]
III-2-3
|
| 33705 |
gegraven waterloop |
graaf:
grāf (L422p Lanklaar)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 20692 |
gehakt |
gehakt:
(o.).
gəhak (L422p Lanklaar),
kipkap:
kipkap (L422p Lanklaar)
|
Fijngehakt vlees (bilber?) [N 16 (1962)] || gehakt vlees [ZND 35 (1941)]
III-2-3
|
| 34425 |
geheel afgeschoren wolvacht |
geroof:
gǝrøu̯f (L422p Lanklaar),
vacht:
vax (L422p Lanklaar)
|
De gehele vacht wol van het schaap, wanneer dit geschoren wordt. [N 38, 19; L 41, 37; monogr.]
I-12
|
| 17621 |
gehemelte |
gehemelte:
geheimelte (L422p Lanklaar)
|
het gehemelte van de mond [ZND 35 (1941)]
III-1-1
|
| 21317 |
gehucht |
gehucht:
gëhucht (L422p Lanklaar)
|
gehucht [ZND 01 (1922)]
III-3-1
|