17879 |
gispen, geselen |
smik:
sjmik (L422p Lanklaar)
|
Met een tak of zweep slaan (smikken, geselen, klatsen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
20949 |
gist |
gist:
ges (L422p Lanklaar),
gęs (L422p Lanklaar)
|
Door het feit dat de vragen niet alle even genuanceerd waren gesteld, komen er woorden voor die zowel moderne droge gist als natte gist als zuurdeeg aanduiden. Het zuurdeeg blijkt volgens sommige informanten (L 291, Q 35) voor het bereiden van zwartbrood of roggebrood gebruikt te worden, terwijl de gist of "heffe" voor witbrood wordt aangewend. [N 29, 22; LB 2, 234; monogr.; JG 1b, add.; S 10; L 1a-m; L 2, 21a; Gi; A 22, 2] || gist, dikwijls door brouwerijen geleverd (Fr. levure) [ZND 02 (1923)]
II-1, III-2-3
|
18687 |
glacé |
glac (fr.):
gla.sēs (L422p Lanklaar, ...
L422p Lanklaar)
|
handschoenen van glanzend leer, glacés [N 23 (1964)] || wanten, met duim maar zonder vingers [N 23 (1964)]
III-1-3
|
24987 |
glad, glijdend |
glad:
glaat (L422p Lanklaar, ...
L422p Lanklaar),
glāt (L422p Lanklaar)
|
glad [ZND 01 (1922)], [ZND 24 (1937)], [ZND B2 (1940sq)]
III-4-4
|
19399 |
glasgordijn |
gordijn:
gardīn (L422p Lanklaar),
goͅrdēi̯n (L422p Lanklaar)
|
Dun gordijn van gaas of andere fijne stof, dat vlak voor het raam hangt (gordijn, glasgordijn, vitrage) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
19386 |
glazenkast |
glazerenkast:
glāzərə kas (L422p Lanklaar, ...
L422p Lanklaar)
|
Kast met opbouw, voor zilver- of glaswerk (buffet, zilverkast, glazenkast) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
20556 |
glazig |
glazen:
glazen (L422p Lanklaar)
|
aardappel die hard en doorschijnen is (glazen patat) [ZND 35 (1941)]
III-2-3
|
17626 |
glazuur |
wit:
wit (L422p Lanklaar)
|
Glazuur: de glinsterende laag waarmee de tanden bedekt zijn (glazuur, email, wit). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
29571 |
gleiswerk |
aardewerk:
ē ̝rdǝwęrǝk (L422p Lanklaar),
ē̜rdǝwørk (L422p Lanklaar)
|
Geglazuurd aardewerk. Het woordtype faïence (Q 156) is van toepassing op geglazuurd en geschilderd aardewerk, oorspronkelijk afkomstig uit Faënza, later naar voorbeeld hiervan ook elders vervaardigd. [N 20, 5; L 35, 78; monogr.]
II-8
|
17853 |
glijden |
kaaien:
kejë (L422p Lanklaar),
#NAME?
kejjë (L422p Lanklaar),
litsen:
#NAME?
litsë (L422p Lanklaar)
|
glijden [ZND 01 (1922)] || slieren (op het ijs glijden zonder schaatsen) [ZND 06 (1924)]
III-1-2
|