33488 |
appel, overige soorten |
kweeappel:
kwieappel (L422p Lanklaar)
|
kweeappel [ZND 01 (1922)]
I-7
|
20638 |
appelbol |
krollemol:
kroͅləmoͅl (L422p Lanklaar),
(m.). mv.: {kr#l\\m$l}.
kroͅləmoͅl (L422p Lanklaar)
|
Appelbol (krollebol, kokkerebol, kollemol, zomerbroodje, appelbol, appelbroodje, ballebuuze?) [N 16 (1962)] || appelen waarrond men deeg doet en die dan in de oven gebakken worden [ZND B2 (1940sq)]
III-2-3
|
20698 |
appelmoes |
appelenpruts:
apləprøtš (L422p Lanklaar),
(m.).
apələprøtš (L422p Lanklaar),
pruts:
prøtš (L422p Lanklaar)
|
appelmoes [ZND B2 (1940sq)] || Appelmoes (appelpommee?) [N 16 (1962)] || appelmoes [trot, trut] [N 38 (1971)]
III-2-3
|
25922 |
appelstroop |
appelensiroop:
apǝlǝšrup (L422p Lanklaar)
|
Stroop, gemaakt van appelen. [N 57, 34b; N 57A, 6; N 38, 2; monogr.]
II-2
|
20744 |
appeltaart |
appelenvlaai:
apələvlāj (L422p Lanklaar)
|
Appeltaart (tartepom?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
24119 |
appelvink |
appelvink:
Frings; half lang als lang omgespeld
apəlveͅŋk (L422p Lanklaar)
|
appelvink (18 grote snavel, kort staartje; grote vogel; zeer schuw; zeldzaam; vreet vruchtenpitten; roep [ptik] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
33100 |
aren lezen |
oogsten:
ǫu̯stǝ (L422p Lanklaar),
ǫu̯xstǝ (L422p Lanklaar)
|
Het oprapen en verzamelen van de achtergebleven aren op het veld. Het was vroeger gewoonte de aren die op het pasgemaaide en geoogste veld achterbleven, te laten liggen, zodat behoeftigen deze konden verzamelen. Het was een vorm van armenzorg. [N 15, 35; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 39, 40; Lu 3, 6; R [s], 31; R 3, 68; monogr.; add. uit A 23, 16.2]
I-4
|
32877 |
arend van de zeis |
ang:
ãŋ (L422p Lanklaar),
pin:
pen (L422p Lanklaar)
|
Het blad van de zeis loopt aan de zijde waar het met de steel verbonden is uit in een smal, vaak extra verstevigd, stukje staal, de arend, dat tegen de steel van de zeis aanligt en door middel van de zeisring daaraan wordt vastgemaakt. Aan het uiteinde is de arend voorzien van een nokje dat in een gat in de steel wordt gestoken of geslagen; soms zijn er twee dergelijke nokjes (vergelijk het woordtype dobbelang). Voor de hoek die de arend met het zeisblad maakt, en het belang hiervan voor een goede "voering" van de zeis, zie de algemene toelichting bij deze paragraaf. Zie afbeelding 5, nummer 1. [N 18, 68a; JG 1a, 1b; A 4, 28c; A 14, 1; L 20, 28c; L 45, 1; monogr.]
I-3
|
25055 |
armvol |
armvol:
ervël (L422p Lanklaar, ...
L422p Lanklaar),
ɛrvǝl (L422p Lanklaar),
ɛrvəl (L422p Lanklaar),
ɛrəvəl (L422p Lanklaar)
|
armvol [ZND 01 (1922)], [ZND 01u (1924)] || armvol (elver, speet, ervel) [ZND A1 (1940sq)], [ZND B1 (1940sq)] || De hoeveelheid stro of aren die men in de armen kan vasthouden. Zie ook het lemma ''handvol hooi'' (5.1.4) in aflevering I.3. [N 7, 58; L 1, a-m; L 1u, 8; L A1, 88; Wi 51; monogr.]
I-4, III-4-4
|
32824 |
as, spil van de rol |
pegel/peel:
pēl (L422p Lanklaar)
|
De in dit lemma verenigde termen betreffen ofwel (elk van) de twee, als as fungerende pinnen in de uiteinden van de houten rol, ofwel de as van de ijzeren paarderol. [JG 1a; JG 1b add.; N 11A, 184e; monogr.]
I-2
|