| 17643 |
lende |
lee:
lēj (K317p Leopoldsburg),
pɛjn in də le (K317p Leopoldsburg),
lende:
pijn in de lenden (K317p Leopoldsburg)
|
heup [N 10b (1961)] || ik heb pijn in de lendenen (in de rug) [ZND 30 (1939)]
III-1-1
|
| 17558 |
lenig |
zwak:
zwak (K317p Leopoldsburg)
|
lenig [zwak, gezwak] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 24895 |
lente, voorjaar |
lente:
lente (K317p Leopoldsburg),
vroegtijd:
vrügteit (K317p Leopoldsburg),
ps. niet omgespeld.
vrijxtɛjt (K317p Leopoldsburg)
|
lente [ZND 30 (1939)]
III-4-4
|
| 18955 |
lepe, doortrapte kerel |
fijne, een -:
fijne (K317p Leopoldsburg)
|
een doortrapte kerel [fijnaard, fijne, leperd] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 31924 |
lepelboor |
lepelboor:
lepelboor (K317p Leopoldsburg)
|
Boorijzer voor hout met een lepelvormig uiteinde. Het snijvlak van de boor is half bolvormig. Zie ook afb. 74b. De lepelboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De wagenmaker boort er onder meer de voorgeboorde naven van karwielen verder mee uit zodat daar vervolgens de naafbus in geplaatst kan worden. [N 33, 329; N 53, 162a; N G, 31c; monogr.]
II-12
|
| 21748 |
leraar |
regent (<fr.):
Van Dale: regent (<Fr.), 8. (in België) niet-academisch gevormd leraar aan de lagere cyclus van een middelbare school.
regent (K317p Leopoldsburg)
|
een leerkracht aan een instelling voor voortgezet onderwijs [magister, leraar, regent, leer] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 18340 |
leren beenkap |
knielap:
knielappe (K317p Leopoldsburg),
knilapə (K317p Leopoldsburg),
knielapje:
knielapkes (K317p Leopoldsburg)
|
lederen beenkappen [kemasse, kamasje] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18653 |
leren muts die onder de kin wordt gesloten |
leren muts:
lērə møts (K317p Leopoldsburg)
|
muts, op bivakmuts gelijkende lederen ~ die onder de kin met een knoop wordt gesloten [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 19125 |
leugen |
leugen:
leugen (K317p Leopoldsburg)
|
een bewust uitgesproken onwaarheid [foet, lieg, leugen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 31939 |
leunknop van de booromslag |
schoudersteun:
sxawǝrstø̄n (K317p Leopoldsburg)
|
De platronde bol aan de bovenzijde van de booromslagwaarmee men tijdens het boren met de hand of met de borst druk uitoefent op het boorijzer. Zie ook afb. 81. [N 53, 161e; monogr.]
II-12
|