| 33511 |
boomgaard |
boomgaard:
būəmgōͅrt (K317p Leopoldsburg)
|
I-7
|
| 24845 |
boomkruin |
kapruin:
kapruin (K317p Leopoldsburg)
|
Hoe noemt u de bladdragende takmassa (kroon, kapruin?) [N 75 (1975)]
III-4-3
|
| 24511 |
boomstronk |
post:
post (K317p Leopoldsburg),
stronk:
stronk (K317p Leopoldsburg),
stronk: (m.). ook verkleinw.: {str#]sk\\}.
nə stroͅŋk(ə) (K317p Leopoldsburg)
|
boomstronk, de stomp-met-wortels van een afgehakte boom [N 27 (1965)] || Hoe noemt u: het op en in de grond achtergebleven stuk van de gevelde en weggevoerde stam [N 75 (1975)]
III-4-3
|
| 22339 |
boomvruchten stelen |
pikken:
pikken (K317p Leopoldsburg)
|
Boomvruchten stelen [tuten, stropen, bogeren, buten, afsnatsen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 18698 |
boordenknoopje |
colknopje (<fr.):
colknopke (K317p Leopoldsburg)
|
boordeknoopje [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 27345 |
boorijzer |
boor:
boor (K317p Leopoldsburg),
ijzerboor:
ijzerboor (K317p Leopoldsburg)
|
Werktuig om ronde gaten te maken in hout of metaal, bestaande uit een metalen staaf met snijdende delen. Het boorijzer wordt bevestigd in een handvat, een booromslag of in de kop van een boormachine. [N 53, 160a; N 53, 161b; monogr.]
II-12
|
| 27813 |
boormachine |
boormachine:
bōrmašin (K317p Leopoldsburg),
langgatboor:
laŋk˲gat˱bōr (K317p Leopoldsburg),
tafelboor:
tǭfǝlbōr (K317p Leopoldsburg)
|
In het algemeen een, al dan niet verplaatsbaar, werktuig dat met behulp van handkracht of een andere aandrijfkracht in beweging wordt gezet en dient om gaten te boren. Dit lemma bevat onder A een aantal algemene benamingen voor de boormachine, terwijl onder B, C en D een aantal meer specifieke boormachines zijn opgenomen. [N 53, 176]
II-12
|
| 31422 |
booromslag |
zwengel:
zwɛŋǝl (K317p Leopoldsburg),
zwong:
zwǫŋ (K317p Leopoldsburg)
|
Een C-vormige houten of metalen kruk waarmee bij de omslagboor een draaiende beweging aan het boorijzer wordt gegeven. Aan de bovenzijde is een leunknop aangebracht waarmee men tijdens het boren met de hand of met de borst druk kan uitoefenen op het boorijzer. Zie ook afb. 81 en het lemma ɛbooromslagɛ in Wld II.11, pag. 84. De omslagboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De klompenmaker boort er bijvoorbeeld koppelgaatjes mee in klompen. Zie voor de woordtypen boordrouw en borendrouw uit respectievelijk Kerkrade e.o. (Q 121) en Montzen (Q 253) ook RhWb (I), kol. 1437, s.v. Drau, ø̄das Gestell am Handbohrer, das den eingesetzten Bohrer dreht, Bohrwinde Drehbügelø̄.' [N 33, 133; N 53, 161a; N 97, 110a; A 29a, 14a-14b; monogr.]
II-12
|
| 31943 |
boorsel |
boorsel:
boorsel (K317p Leopoldsburg)
|
Het fijne houtstof dat tijdens het boren uit het boorgat te voorschijn komt. [N 53, 181; monogr.]
II-12
|
| 18863 |
boos |
kwaad:
kwaad (K317p Leopoldsburg)
|
boos, kwaad ten gevolge van een belediging [kwaad, boos, vuil] [N 85 (1981)]
III-1-4
|