| 29971 |
korteling |
korteling:
kø̜rtǝleŋ (L289b Leuken
[(id)]
)
|
Korte steigerpaal die aan één uiteinde draagt op de aanbinder en aan de andere kant in een in de muur uitgespaard steigergat. Over de kortelingen komen de steigerplanken te liggen die de steigervloer vormen. Zie ook afb. 18. [N 32, 3b; monogr.]
II-9
|
| 34520 |
kortwieken |
kortvleugelen:
kortvlø̄gǝlǝ (L289b Leuken),
leewieken:
lēwikǝ (L289b Leuken)
|
Men kort de vleugels van een kip, opdat ze niet kan wegvliegen. Een object ''kip'' of ''vleugels'' is niet gedocumenteerd. [N 19, 53; S 19; L 28, 35; L 1a-m; monogr.]
I-12
|
| 21657 |
kosten |
doen:
doon (L289b Leuken),
uitdoen:
uutdoon (L289b Leuken)
|
Kosten, waard zijn; "wat kosten de biggen tegenwoordig?"[doen, uitdoen, gelle, gelden, gille? "wat gelle de baggen?"] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20650 |
kotelet, ribstuk |
karbonade:
kermənaaj (L289b Leuken),
Syst. WBD
kermenaaj (L289b Leuken),
kotelet:
Fr. cotelet Verklw. korteletje
kortelet (L289b Leuken)
|
Carbonade (krep, kermenaoj?) [N 16 (1962)] || gebraden varkensrib (karbonade) [DC 30 (1958)] || varkenscotelet
III-2-3
|
| 25168 |
koud, mistig en somber weer |
loerachtig (weer):
loorechtig (L289b Leuken)
|
triest, stil weer [koereloeke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25235 |
koude mist |
zuur weer:
Nb. "e"van were = franse père.
zoor were (L289b Leuken)
|
gure, koude mist [zoere mok] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25109 |
koude noordenwind, bijs |
koude noordenwind:
kaoje noordewintj (L289b Leuken)
|
koude noorderwind [bies] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 31179 |
koudsmid |
koudsmid:
kǭtsmiǝt (L289b Leuken)
|
Smid of werkman in smederijen die metaal in koude toestand met vijl, beitel, hamer, boor, schraper, draadsnijwerktuigen, draaibank, etc., bewerkt. Zie ook het lemma "bankwerker" in WLD II. 5, pag. 46 en de toelichtingen bij de lemmata "koperslager" en "blikslager". [monogr.]
II-11
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kǫu̯tǝr (L289b Leuken)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 19231 |
kouwe drukte |
ambras:
âmbras (L289b Leuken),
bezwei:
bezwêj (L289b Leuken),
kaskenades:
alleen in mv.
kiskenaatjes (L289b Leuken)
|
bezwaarlijke drukte, overbodige drukte || koude drukte, smoesjes || overdreven drukte
III-1-4
|