| 25394 |
schrabsel |
nerf:
nɛrf (L211p Leunen)
|
De afgekrabde opperhuid met haren. De lange haren worden soms bewaard en tot borstels e.d. verwerkt of verkocht. [N 28, 29; monogr.]
II-1
|
| 18133 |
schram |
schram:
schroam (L211p Leunen),
schröm (L211p Leunen)
|
schram [SGV (1914)] || schrammen (mv) [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 18136 |
schrammen |
schrammen:
schröme (L211p Leunen)
|
schrammen (ww) [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 30259 |
schranklatten |
kruislatten:
kryslatǝ (L211p Leunen)
|
Dwarslatten die overhoeks op stijl en bovendorpel van het kozijn gespijkerd worden om te voorkomen dat het tijdens het vervoer uit de haakse stand zakt. De schranklatten worden verwijderd nadat het kozijn in de muur is ingemetseld. [N 55, 17a-b; monogr.]
II-9
|
| 20789 |
schransen |
inladen:
As t már vur niks is, han hij beter ienlaaje as óplaaje: als het maar gratis is, kan hij beter eten dan werken
ienlaaje (L211p Leunen),
schransen:
sxrānsə (L211p Leunen),
spaden:
spaaje (L211p Leunen),
vreten:
vraete (L211p Leunen)
|
flink eten || het nuttigen van voedsel || schransen || veel eten naar binnen werken
III-2-3
|
| 17947 |
schrede |
schrede:
schrie (L211p Leunen)
|
schrede [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 21368 |
schreeuwen |
kwieken:
kwīkǝ (L211p Leunen),
schreeuwen:
schrêwe (L211p Leunen),
schriesen:
sxrisǝ (L211p Leunen)
|
Het schreeuwen van een varken ten teken van honger of bij het slachten. [N 19, 24; JG 1a, 1b; N 76, 33; monogr.; N 19, Q 111 add.] || schreeuwen [SGV (1914)]
I-12, III-3-1
|
| 19728 |
schrijftafel, bureau |
schrijftafel:
schriēftoffel (L211p Leunen)
|
bureau
III-2-1
|
| 24373 |
schrijvertje |
schrijvertje:
schriēverke (L211p Leunen)
|
watertorretje
III-4-2
|
| 22482 |
schrikkeljaar |
schrikkeljaar:
schrikkeljoar (L211p Leunen)
|
schrikkeljaar [SGV (1914)]
III-3-2
|