| 19377 |
verdieping |
stock (d.):
stok (L211p Leunen),
òp de hoevulste stok wònde: op de hoeveelste verdieping woon jij
stok (L211p Leunen),
verdieping:
\'r mankieërt wat ien de bovveste verdieëping: er is iets niet in orde met het verstand
verdiēping (L211p Leunen)
|
etage || verdieping || verdieping, etage
III-2-1
|
| 30173 |
verdiept werk |
terugliggende voeg:
tǝrøxlegǝndǝ vux (L211p Leunen)
|
Ten opzichte van de metselstenen dieper liggend voegwerk. [N 32, 34b; monogr; N 32, 29d.]
II-9
|
| 25362 |
verdoven |
houwen:
hǫwǝn (L211p Leunen),
schieten:
sxītǝn (L211p Leunen)
|
Het slachtvee verdoven alvorens het de keel door te snijden. Woordtypen als "schieten", "doodslaan", "houwen", "pin indrijven" geven aan hoe het verdoven in zijn werk gaat. [N 28, 6; N 28, 12b; monogr.]
II-1
|
| 18823 |
verdriet; verdriet doen |
jammer:
jommer (L211p Leunen),
leed:
lieëd (L211p Leunen),
verdriet:
verdriēt (L211p Leunen),
verdrīēt (L211p Leunen)
|
leed, verdriet, ellende || verdriet [SGV (1914)] || verdriet, leed
III-1-4
|
| 34155 |
verdrogen |
verzijen:
vɛrzējǝ (L211p Leunen)
|
Minder melk gaan geven wegens drachtigheid. [N 3A, 72a]
I-11
|
| 30596 |
verf |
verf:
vɛ̄rǝf (L211p Leunen)
|
Vloeibare substantie, gewoonlijk bestaande uit een poedervormige, kleurgevende stof en een bindmiddel. Verf wordt met behulp van een kwast, een roller of een spuit opgebracht, waarna zij in een harde laag opdroogt. [Wi 54; S 39; L A1, 82; N 67, 18a; monogr.]
II-9
|
| 30677 |
verfkrabber |
krebber:
krɛbǝr (L211p Leunen)
|
Werktuig om oude verflagen droog te verwijderen en afgebrand werk schoon te krabben. Verfkrabbers bestaan uit een haaks op een steel met handvat bevestigd blad, dat, afhankelijk van het werk, diverse vormen kan vertonen. De rand van het blad heeft een geslepen profiel. Zie ook afb. 97. [N 67, 56a; monogr.]
II-9
|
| 30735 |
verflaag |
verflaag:
vɛ̄rflǭx (L211p Leunen)
|
Zie kaart. Uitgestreken hoeveelheid verf. [N 67, 77a; L 29, 28b; monogr.]
II-9
|
| 30666 |
verfspuit |
verfspuit:
vɛ̄rfspø̜̄t (L211p Leunen)
|
Toestel waarmee verf als nevel op het te verven oppervlak wordt gespoten. Zie ook afb. 94. Het woordtype 'mondspritsje' werd in Q 121 gebruikt voor een mondspuitje, een glazen potje vanwaaruit de verf met de mond op het te schilderen voorwerp gespoten werd. Het werktuig werd gebruikt om op wanden met behulp van een sjabloon een motief aan te brengen. [N 67, 51; monogr.; div.]
II-9
|
| 19251 |
vergeetachtig |
vergeetachtig:
vergaetaechteg (L211p Leunen)
|
vergeetachtig
III-1-4
|