| 20390 |
bruiloft |
bruiloft:
brulleft (L211p Leunen, ...
L211p Leunen),
bruiloftsfeest:
brullefsfieës(t) (L211p Leunen),
trouwfeest:
trowfieës(t) (L211p Leunen)
|
bruiloft [SGV (1914)] || bruiloftsfeest || trouwfeest, huwelijksfeest
III-2-2
|
| 34138 |
brullen |
brullen:
brølǝ (L211p Leunen)
|
Abnormaal geluid dat vooral wild geworden runderen uitstoten. [N 3A, 6; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34196 |
brulziekte |
bruls zijn:
(de koe is) brøls (L211p Leunen)
|
Een afwijking aan de eierstokken van koeien. De dieren vertonen voortdurend verschijnselen van tochtigheid, tegelijkertijd zijn ze onvruchtbaar. De koeien maken een eigenaardig brullend geluid, ze hebben slappe banden en ze groeien slecht. Zie ook het lemma ''brulziekte'' in wbd I.3, blz. 464-465. [N 3A, 101; A 48A, 45a; JG 1a, 1b; L 19B, 4a; monogr.; add. uit N C]
I-11
|
| 19818 |
buffetkast |
pronkkast:
proonkkâst (L211p Leunen)
|
een van veel glas voorziene kast, waarin dure en kostbare spullen liggen te pronken
III-2-1
|
| 25116 |
bui, regenbui |
bui:
buj (L211p Leunen),
regenbui:
raegenbuuj (L211p Leunen),
met een lengteteken op de a
rägenbuuj (L211p Leunen)
|
bui [SGV (1914)] || bui, regenbui || regenbui [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 17634 |
buik |
buik:
buk (L211p Leunen)
|
buik (lijf) [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 18095 |
buikpijn |
buikpijn:
bukpin (L211p Leunen)
|
ik heb pijn in mijn buik of de buik doet mij zeer [DC 01 (1931)]
III-1-2
|
| 26143 |
buitenborst |
buitenroede:
buitenroede (L211p Leunen)
|
De buitenste van de twee korte, zware balken die in de askop zijn bevestigd. [N O, 1f]
II-3
|
| 33392 |
buitendeurtje van het varkenshok |
varkensdeurtje:
vɛrǝkǝs˱dørkǝ (L211p Leunen)
|
Het deurtje waardoor het varken de stal in en uit kan lopen. [N 5A, 60f]
I-6
|
| 20455 |
buitenechtelijk kind |
voorkind:
vurkiend (L211p Leunen)
|
kind dat reeds geboren is voordat de moeder trouwt
III-2-2
|