| 24058 |
het heilig oliesel toedienen |
heilige olie geven:
heͅləgən olij gēvə (K278p Lommel)
|
Het H. Oliesel toedienen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 32952 |
het hooi is binnen |
is binnen:
es˱ benǝ (K278p Lommel)
|
Gevraagd werd naar de dialekt-weergave van de uitdrukking "Het hooi is binnen". In Q 100 vult de zegsman dan aan: "Het hooi is onder de pannen ... en den erme man is oet de sjuur." Het onderwerp van de gegeven uitdrukkingen is steeds: hooi. [N 14, 127]
I-3
|
| 20393 |
het huwelijk ontbinden |
scheiden:
schèèjən (K278p Lommel)
|
scheiden
III-2-2
|
| 32689 |
het land aftreden |
aftreden:
ãftrę̄i̯ǝn (K278p Lommel),
āftrēi̯ǝn (K278p Lommel),
áftrēi̯ǝn (K278p Lommel)
|
Voordat men begint te ploegen, schrijdt men de akker langs twee tegenover elkaar gelegen zijden af, a) om het midden te bepalen als men bijeen gaat ploegen, b) om hem in gelijke stukken te verdelen, als men in panden gaat ploegen, c) om de vooraf of achteraf te ploegen hoek uit te zetten, als het een gerende akker betreft. De opgesomde termen, die alle "het land", "de akker", "de plak" e.d. als object veronderstellen, zijn ook toepasselijk op het schrijdend opmeten van het land in het algemeen. [N 11, 40; N 11A, 131a; JG 1a + lb; monogr.]
I-1
|
| 34005 |
het paard leiden |
leiden:
lɛi̯ǝn (K278p Lommel),
vasthouden:
vāsthāu̯ǝn (K278p Lommel)
|
Het paard leiden of mennen door het met de teugels te sturen. Werkwoorden zoals varen en leiden werden niet door alle corresponenten gegeven. [N 8, 100 en 101b; Wi 25; monogr.]
I-10
|
| 34007 |
het paard met een dubbele lijn leiden |
dobbel kordeel:
dǫbǝl kardeǝl (K278p Lommel),
dobbele koord:
dǫbǝl kōr (K278p Lommel),
dobbele lijn:
dǫbǝl lin (K278p Lommel),
handkoord:
hantkǫu̯ǝr (K278p Lommel)
|
Het paard besturen met een lange teugel uit één stuk, die aan de ene kant van het gebit vertrekt, langs de hand van de voerman gaat en langs de andere kant weer aan het gebit bevestigd is (cf. lemma Dubbele Lijn). Bij deze dubbele lijn, die links én rechts naar de hand van de voerder komt, trekt men aan de kant van de richting die het paard moet inslaan. Werkwoorden zoals varen, leiden werden niet altijd opgegeven. [JG 1b; N 8, 101b-c; N 13, 30 en 35]
I-10
|
| 34006 |
het paard met een enkele lijn leiden |
enkele kordeel:
ęŋkǝl kardeǝl (K278p Lommel)
|
Het paard mennen met een lijn die uit twee delen bestaat, één dat via de rug van het paard de twee uiteinden van het gebit verbindt (cf. lemma Loenje), en een enkele lijn die aan het achterste einde van de eerste bevestigd is (cf. lemma Kordeel, Hotlijn). Die enkele lijn, het kordeel, houdt de voerman in de hand. Om het paard links te doen afslaan, houdt hij die strak gespannen; om het rechts te doen afzwenken, trekt hij met kleine schokjes (stuiklijn). Werkwoorden zoals varen en leiden werden niet door alle corresponenten gegeven. [JG 1b; N 8, 101a; N 13, 29; monogr.]
I-10
|
| 33921 |
het paard wennen aan tuig en arbeid |
leren:
lei̯ǝrǝn (K278p Lommel)
|
[N 8, 99]
I-9
|
| 25378 |
het ruggemerg doorsnijden of -steken |
het vas afsteken:
tfas afstɛ̄ʔǝ (K278p Lommel)
|
Het ruggemerg doorsnijden of -steken, opdat het dier sneller doodgaat. [N 29, 38; N 28, 6; monogr.]
II-1
|
| 23983 |
het schuifje krijgen |
het schuifje krijgen:
et schuifke krijgen (K278p Lommel)
|
Het gebruik om het schuifblad in de biechtstoel te sluiten wanneer de biecht wordt uitgesteld en de biechteling niet geholpen kan worden omdat er redenen zijn om aan het berouw of aan het vervullen van de voldoening te twijfelen [het deurken/vensterken kr [N 96D (1989)]
III-3-3
|