| 17555 |
mager worden |
vermageren:
vermageren (K278p Lommel)
|
Mager worden: in omvang en gewicht afnemen (afslekkeren, afslanken, krimpen, slinken, vermageren). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 34127 |
magere koe |
kapstok:
kapstǫk (K278p Lommel),
magere koe:
māgǝr kui̯ (K278p Lommel)
|
[N 3A, 147a]
I-11
|
| 32984 |
mais |
maïs:
ma`is (K278p Lommel),
mai̯s (K278p Lommel)
|
Zea mays L. Hoogopschietende graansoort met bloeikolven. Vroeger (in Q 14 wordt gepreciseerd: "vóór 1915") alleen als kippevoer bekend; maar de laatste decennia hoe langer hoe meer geteeld als veevoeder. Maïs wordt tegenwoordig op rijen gezet met een afstand van ongeveer 50 cm. Turkentarwe (naar de vreemde herkomst) was de oude en vrij algemene Zuidnederlandse benaming die door het veel kortere maïs verdrongen werd. Het type korentjestarwe, lett. "korreltjes-tarwe", dial. ''kurkentarwe'', is wel een volksetymologie van turkentarwe; in de veelvuldig voorkomende doubletten verschilt alleen de eerste medeklinker. De Vorsense opgave pǝtruk komt uit het Waalse peûs d''trouc'' (pois de Turc), "erwt uit Turkije". Zie afbeelding 1, g.' [N P, 22; JG 1a, 1b; L lijst graangewassen, 4; monogr.; add. uit N 15, 1b]
I-4
|
| 33025 |
mais oogsten |
aftrekken:
āftrɛʔǝ (K278p Lommel)
|
De maïskolven van de planten aftrekken. Het object van de handeling is steeds maïs -vergelijk het lemma ''mais'', 1.2.12- of maïskolven -vergelijk het lemma ''maiskolf'', 1.3.9-.' [N Q, 21; monogr.]
I-4
|
| 32994 |
maiskolf |
kolf:
kolǝf (K278p Lommel)
|
Het vruchtbeginsel van de maïsplant. In L 269a wordt het vrouwelijk vruchtbeginsel (kolf) anders benoemd dan het mannelijk beginsel (aar). Zie afbeelding 1, g, 1. [N Q, 20; monogr.]
I-4
|
| 33822 |
mak |
gemakkelijk:
gǝmɛʔǝlǝk (K278p Lommel),
mak:
mak (K278p Lommel)
|
Gezegd van een zachtaardig, gewillig paard. [JG 1a; N 8, 64i en 64j]
I-9
|
| 26638 |
malooi |
bak:
bak (K278p Lommel),
zak:
zak (K278p Lommel)
|
De hoeveelheid graan die men naar de molen brengt en die groot genoeg is om er één of twee keer van te bakken. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛmaalgoedɛ en ɛbakmeelɛ.' [JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 2c; monogr.; N D, 33 add.]
II-3
|
| 20969 |
mals |
mals:
mals (K278p Lommel)
|
mals (vlees)
III-2-3
|
| 30836 |
mals, goedgelooid leer |
mals leder:
mals leder (K278p Lommel)
|
Goedgelooid, zacht, lenig, buigzaam leer. [N 60, 9]
II-10
|
| 20205 |
man |
vent:
huw hit dije vɛnt (K278p Lommel),
vɛnt (K278p Lommel),
vɛ͂nt (K278p Lommel)
|
man [RND], [RND] || Vertaal in uw dialect: hoe heet die man? [ZND 48 (1954)]
III-3-1
|