| 17657 |
pols |
pols:
pōls (L248p Lottum),
pôals (L248p Lottum)
|
pols [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 19474 |
pook |
rakelpriem:
rōͅkəlprēm (L248p Lottum)
|
pook [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 19957 |
poort |
poort:
pǭrt (L248p Lottum)
|
Opgenomen zijn de benamingen die de poort in het algemeen. Zie ook de lemmata "stalpoort, staldeur" (2.1.3) en "schuurpoort" (3.1.2). Zie de afbeeldingen 22, (a) ronde poort; 23, (b) rechthoekige poort; en 24, (c) details van de poort. In de toegevoegde klankkaart zijn de lengte van klinker en de gevallen van pseudo-klankverschuiving van de slot-t aangegeven. Zie afbeelding 18. [N 7, 48a; JG 1a, 1b; A 10, 7a en 7b; L A2, 286; L 5, 56; L 12, 5; R (s]
I-6
|
| 24490 |
populier (alg.) |
canadas:
kannendas (L248p Lottum)
|
populier [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33171 |
poten |
poten:
pǭtǝ (L248p Lottum)
|
In dit lemma staan de algemene benamingen voor het planten van de pootaardappelen bijeen. [N 12, 10; N 15, 1b en 1c; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 20, 1a; A 23, 17d.I; Lu 1, 17d.I; Wi 43; monogr.; add. uit N 12, 15; N M, 18a en 18b]
I-5
|
| 27074 |
praam |
praam:
prām (L248p Lottum)
|
Neusknijper om het paard in bedwang te houden. Een praam bestaat uit een houtje met een lus eraan, die rond de bovenlip van het paard wordt gelegd en met het houtje wordt aangedraaid. Er bestaan ook metalen neusknijpers met deze functie (zie o.a. de termen muilijzer, tandijzer en gebitijzer). [JG 1b, 1c, 2c; N 13, 85; N 33, 377 en 380; S 28; monogr.]
I-10
|
| 21006 |
prei |
prei:
prei (L248p Lottum, ...
L248p Lottum)
|
[DC 13 (1945)]prei [SGV (1914)]
I-7
|
| 22687 |
prent(je) |
prent(je):
print (L248p Lottum)
|
prent [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 19333 |
pret, schik |
schik:
schik (L248p Lottum),
weej hèbbe schik gehad (L248p Lottum)
|
[schik] wij hebben ~gehad [SGV (1914)] || schik [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 23326 |
priester |
geestelijke:
geiselik (L248p Lottum)
|
priester [SGV (1914)]
III-3-3
|