| 33393 |
varkenstrog |
trog:
trǭx (L248p Lottum),
varkensbak:
vɛrkǝs˱bak (L248p Lottum)
|
De vaste voerbak in een varkenshok voor het vloeibare voedsel. [N 5A, 60d; A 4, 4d; L 8, 19; L 20, 4d]
I-6
|
| 20646 |
varkensvet |
reuzel:
gesmolten vet
reuzel (L248p Lottum),
smout:
smālt (L248p Lottum, ...
L248p Lottum)
|
reuzel [DC 17 (1949)], [SGV (1914)] || smout [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 32411 |
varshaak |
haakje:
hø̜kskǝ (L248p Lottum),
wreefmes:
vrijmē̜s (L248p Lottum)
|
Gereedschap dat dient om aan de binnenkant van de klomp de hak en de hakbodem glad te maken. Het snijdende gedeelte van de varshaak is enkele centimeters breed, is aan beide zijden aangescherpt en in een cirkel rondgebogen. Soms heeft het ook heeft de vorm van een van boven platgedrukt vraagteken. Het houten handvat van de haak is ongeveer 30 cm lang. Zie ook afb. 247. [N 97, 23; A 29a, 9; Bakeman 9; monogr.]
II-12
|
| 34272 |
vaste uitwerpselen |
schaapskrenten:
sxǫpskrɛntǝn (L248p Lottum)
|
In de vragen L 20, 22f en A 4, 22f werd ook gevraagd naar het gebruik van schapenmest. Uit de antwoorden blijkt dat schapenmest kon dienen als bemesting in het algemeen en als weiland- en bloembemesting. Ook vermengde men schapenmest met stalmest. Schapenmest werd wel eens gebruikt om stokbomen in te planten. [N 77, 122; L 20, 22f; A 4, 22f; A9, 24c]
I-12
|
| 33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
krøp (L248p Lottum),
voerbak:
vōrbak (L248p Lottum)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 22648 |
vastenavond |
vastelavond:
vesteloavend (L248p Lottum)
|
Vastenavond [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 23332 |
vastendag |
vasteldag:
vesseldaag (L248p Lottum)
|
vastendag [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 23331 |
vastentijd |
vasten:
vāste (L248p Lottum)
|
vasten [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 26703 |
veengrond, stuk niet ontgonnen hei of woeste grond |
turf:
tø̜rf (L248p Lottum)
|
Een stuk grond waarop het mogelijk is een bepaald soort turf te steken. [I, 3; N 27, 4a; N 27,18a; S 39]
II-4
|
| 21182 |
veerpont |
veer:
vêr (L248p Lottum)
|
veer (overvaart) [SGV (1914)]
III-3-1
|