| 18275 |
weefsel, stof |
stof:
stŏŏf (L248p Lottum)
|
stof (étoffe) [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 21279 |
weelde |
weeld:
weld (L248p Lottum)
|
weelde [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 25110 |
weerlichtx |
weerlicht:
wêrleech (L248p Lottum)
|
bliksem [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 25206 |
weersgesteldheid |
weer:
waer (L248p Lottum),
wear (L248p Lottum),
wêr (L248p Lottum),
ps. omgespeld volgens IPA.
wēͅr (L248p Lottum)
|
weer [DC 03 (1934)], [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 23335 |
weerwolf |
weerwolf:
wêrwōlf (L248p Lottum)
|
weerwolf [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 20436 |
wees |
weeskind:
weeskiend (L248p Lottum)
|
wees [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 33663 |
wei |
wei:
węi̯ (L248p Lottum, ...
L248p Lottum)
|
Dunne, zoete vloeistof die, na de afscheiding van de kaasstof, van de melk overblijft. [L 27, 30 en 31; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 7, 15, 27 en 28; L 2, 7; A 9, 15a en 15b; S 15; Ge 22, 65 en 128; monogr.] || In het algemeen een stuk weiland of grasweide waar het vee graast. Bedoeld is een niet-omheinde weide. [N 14, 50a; N 14, 50b; N 5AøIIŋ, 76d; N 5AøIIŋ, 76e; N M 4a; L 19B, 2a!; L A2, 430; L 4, 40; L 32, 45; JG 1b, 1d, 2c; A 10, 3; A 3, 40; RND 20; Wi 4; R; S 43; Vld.; N 14, 129 add.; monogr.]
I-11, I-8
|
| 32809 |
weiland bewerken met de kettingeg |
slepen:
[slepen] (L248p Lottum)
|
De onderstaande termen veronderstellen "de wei" als object. Sommige ervan kunnen wel-licht ook absoluut gebruikt worden; zij bete-kenen dan "werken met de kettingeg" zonder meer, wat men niet alleen in de wei, maar ook op het veld kan doen. Voor ''eggen'' + ''eggen'' en ''slepen'' zie men de desbetreffende lemmata. [JG 1a; N 11A, 172f; div.]
I-2
|
| 32623 |
weke mest verspreiden |
[gierdrab] uitereengooien:
utǝriǝnguǝi̯ǝ (L248p Lottum)
|
Dikke vloeibare mest (drek, gierbezinksel) met een schop of schep over het land uitgooien. Voor de niet vermelde naam van het object van deze handeling zie men het lemma gierbezinksel. Van de opgenomen termen houden de laatste zowel het vervoer als de verspreiding van deze meststof in. [N 11A, 60b; monogr.]
I-1
|
| 32744 |
wendakkerhoeken |
hoekvooreinden:
hōk˲vøręi̯ndǝ (L248p Lottum),
kleine vooreinden:
klęi̯n vøręi̯ndǝ (L248p Lottum)
|
Bij het ploegen van de keerstrook of wendakker blijft, behalve als men na elke voor bij het keren de ploeg terugtrekt en aan de kant inzet, aan beide zijden van de wendakker een vierkant of rechthoekig keerstrookje over, dat thans vaak onbewerkt blijft, maar vroeger veelal met de schop (soms met de riek) werd omgewerkt. Een enkele keer diende het voor een ander gewas dan op de rest van de akker verbouwd werd. [N 11, 50b; N 11A, 125c; A 33, 7; N P, 1]
I-1
|