| 19088 |
plicht |
plicht:
plext (L316a Lozen)
|
een plicht [ZND A1 (1940sq)]
III-1-4
|
| 30148 |
plint |
plint:
pǝlēnt (L316a Lozen)
|
Het ongeveer één meter hoge onderstuk van de buitenmuren van een bouwwerk. Het wordt doorgaans van een harde metselsteensoort vervaardigd. Zie ook het lemma 'Klinker' in wld ii.8, pag. 72. In Q 121 was de plint tien √† twaalf lagen hoog. Hij werd afgesloten met behulp van een laag op hun kant staande stenen: de 'rollaag' ('rǫllǭǝx') of 'rechtoppe' ('ręǝt˱opǝ'). Ook in L 210 werd de ongeveer één meter hoge plint afgedekt met een rol- of traslaag. In Q 193 en Q 194 werd de plint met behulp van 'trasbrikken' ('tras˱brekǝ') opgemetseld. [N 31, 34f; monogr.]
II-9
|
| 32847 |
ploeglijn |
kordeel:
[kordeel] (L316a Lozen),
lijn:
lin (L316a Lozen)
|
Het meestal dubbele koord waarmee het paard bestuurd wordt bij het ploegen, eggen, rollen e.d. De ploeglijn is doorgaans langer dan de lijn waarmee men een paard bestuurt, dat voor de kar of wagen gespannen is. Voor het ''ploeg''-gedeelte van varianten zie men het lemma ''ploeg''. Van de term kordeel, die ook toepasselijk is op de vaak enkele kar-lijn, zijn de varianten te vinden in I.4, waar o.a. het paardetuig aan de orde komt. [JG 1b; JG 2c add.; L 30, 10a; N 11A, 141a; N 13, 34; S 21 add.; div.; monogr.]
I-2
|
| 17831 |
plukken |
plukken:
pləkkə (L316a Lozen)
|
plukken [ZND A1 (1940sq)]
III-1-2
|
| 19425 |
poetsen, schoonmaken |
poetsen:
pūtsə (L316a Lozen)
|
schoonmaken, kuisen [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|
| 19957 |
poort |
poort:
pǫrt (L316a Lozen)
|
Opgenomen zijn de benamingen die de poort in het algemeen. Zie ook de lemmata "stalpoort, staldeur" (2.1.3) en "schuurpoort" (3.1.2). Zie de afbeeldingen 22, (a) ronde poort; 23, (b) rechthoekige poort; en 24, (c) details van de poort. In de toegevoegde klankkaart zijn de lengte van klinker en de gevallen van pseudo-klankverschuiving van de slot-t aangegeven. Zie afbeelding 18. [N 7, 48a; JG 1a, 1b; A 10, 7a en 7b; L A2, 286; L 5, 56; L 12, 5; R (s]
I-6
|
| 21481 |
portemonnee, beurs |
geldbuidel:
geltbygəl (L316a Lozen)
|
een beurs [ZND A1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 22356 |
priktol |
dop:
21 onbekend.
dob (L316a Lozen),
gooidop:
puntje onder beide os
ənə gojdop (L316a Lozen),
pindop:
pendoͅp (L316a Lozen)
|
Een priktol (werptol). [ZND B1 (1940sq)] || Priktol (= werptol: door middel van een erom gewonden touw werpt men hem draaiend op de grond). [ZND 16 (1934)]
III-3-2
|
| 17742 |
proeven |
proeven:
prøvə (L316a Lozen)
|
proeven [ZND A2 (1940sq)]
III-1-1
|
| 30065 |
profielen |
profielen:
prōfilǝ (L316a Lozen)
|
Gladde, rechte houten balkjes met een lengte van ongeveer 1,80 cm en een doorsnede van 7,5 x 7,5 cm, die verticaal op de hoeken van het metselwerk worden geplaatst. Zij worden gebruikt om het loodrecht opmetselen van de muren te bevorderen. Zie ook afb. 28. [N 31, 7a; monogr.]
II-9
|