e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Lozen

Overzicht

Gevonden: 668
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
proppenschieter klatspijp: klàtspip (Lozen), ən klàtspiəp (Lozen) Een klakkebus (buis uit vlierhout, waarmee proppen worden weggeschoten). [ZND B1 (1940sq)] III-3-2
put zak: zák (Lozen) Terugwijkend gedeelte van het metselwerk van een muur. [N 31, 47a] II-9
raadsel(tje) raadsel(tje): rōͅtsəl (Lozen), ə ra͂tsəl (Lozen), onder de ø staat een puntje  røtsəlkə (Lozen) Een raadsel. [ZND B1 (1940sq)] III-3-2
rat rat: rat (Lozen) rat [ZND A1 (1940sq)] III-4-2
regenen (alg.) regenen: rɛ̄gənə (Lozen) regenen [ZND A1 (1940sq)] III-4-4
regenpijp goot: gūǝt (Lozen) De buis die het regenwater vanuit de dakgoot naar beneden voert. [N 64, 149a; L 24, 23b; L 24, 38; L B1, 160b; monogr.; Vld.] II-9
regenworm pierik: pērik (Lozen), piering: piering (Lozen), pierling: pierlink (Lozen) pier, aardworm [ZND B2 (1940sq)] III-4-2
reuk reuk: ryk (Lozen) een reuk [ZND A2 (1940sq)] III-1-1
rib rib: røb (Lozen) een rib [ZND A1 (1940sq)] III-1-1
riek, mestriek riek: rēk (Lozen) Een riek die vroeger vaak drie, tegenwoordig meestal vier tanden telt en die gebruikt wordt om de stallen uit te mesten, mest te laden en mest te verspreiden op het land, ook om aardappelen te rooien, aardkluiten fijn te maken e.d. Voorzover het materiaal daaromtrent gegevens bevatte, is in dit lemma achter de plaatsnummers melding gemaakt van het aantal tanden dat de (mest)riek ter plaatse telde. Benamingen van de (mest)riek naar het aantal tanden vormen de tweede helft van dit lemma. Niet opgenomen zijn namen voor een drietandige vork, die blijkens de opgave gebruikt werd om graanschoven en/of hooi op te steken, noch benamingen voor de vijf- of zestandige riek die - met of zonder bolletjes aan de tanden - dient om bieten of aardappelen op te scheppen. [N 5A, 50b; N 11, 28; N 11A, 13a + c; N 14, 81 add.; N 18, 23 + a + b; N 18, 24 add.; JG 1a + 1b; A 28, 4a + b; Av 1, III 5; L B2, 242; L 16, 18b; Gi 2, 179; Lu 6, 4a + b; S 29; Gwn 8, 3; Wi 3 add.; div.; monogr.] I-1