e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Lozen

Overzicht

Gevonden: 668
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
roep- en lokwoord voor de kip kip, kip, kip: kip, kip, kip (Lozen), tie, tie, tie: tī, tī, ti (Lozen), tjiep, tjiep: tjep, tjep (Lozen) Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.] I-12
roep- en lokwoord voor de koe kom dè: kǫm dɛ (Lozen), mie dè: mi dę (Lozen) Men roept de koe naast de algemene benamingen koe, muk enzovoorts ook met het noemen van de kleur, b.v. zwarte en met een eigennaam als Lies en Berta. [N C, 16; VC 14, 2a (r] I-11
roep- en lokwoord voor het kalf kom dè: kǫm dę (Lozen), mie dè: mi dę (Lozen) Met kan een kalf roepen met de algemene benamingen kalf, kalfje, muk enzovoorts, met eigennamen als Liesje, met klanknabootsingen of eventueel met het rammelen van melkemmers. [N C, 17; VC 14, 2b (r] I-11
roep- en lokwoord voor het varken kuus, kuus: kus, kus (Lozen) In plaats van kuus roepen klakt men ook wel met de tong. [N 19, 11a; VC 14, 2c (r] I-12
roepwoord voor de geit met, met: męt, męt (Lozen) [N 19, 74e; VC 14, 2l r; L B2, 259e -263-; monogr.; N C, Q 111 add.] I-12
roest roest: rōs (Lozen), rust (Lozen) roest (roester) [ZND B2 (1940sq)] III-4-4
roestvlek roestplek: rōstplɛk (Lozen) roestvlek (in het linnen) [ZND B2 (1940sq)] III-2-1
rok: algemeen rok: roͅk (Lozen, ... ) rok (kledingstuk voor vrouwen) [ZND B1 (1940sq)] III-1-3
roof(je) (korst op een wonde) roof(je): rouf (Lozen, ... ) roof (korst op een wonde) [ZND B1 (1940sq)] III-1-2
room room: rou̯m (Lozen) room (vetlaag op melk) [ZND B2 (1940sq)] III-2-3