| 34528 |
roep- en lokwoord voor de kip |
kip, kip, kip:
kip, kip, kip (L316a Lozen),
tie, tie, tie:
tī, tī, ti (L316a Lozen),
tjiep, tjiep:
tjep, tjep (L316a Lozen)
|
Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.]
I-12
|
| 34218 |
roep- en lokwoord voor de koe |
kom dè:
kǫm dɛ (L316a Lozen),
mie dè:
mi dę (L316a Lozen)
|
Men roept de koe naast de algemene benamingen koe, muk enzovoorts ook met het noemen van de kleur, b.v. zwarte en met een eigennaam als Lies en Berta. [N C, 16; VC 14, 2a (r]
I-11
|
| 34219 |
roep- en lokwoord voor het kalf |
kom dè:
kǫm dę (L316a Lozen),
mie dè:
mi dę (L316a Lozen)
|
Met kan een kalf roepen met de algemene benamingen kalf, kalfje, muk enzovoorts, met eigennamen als Liesje, met klanknabootsingen of eventueel met het rammelen van melkemmers. [N C, 17; VC 14, 2b (r]
I-11
|
| 34377 |
roep- en lokwoord voor het varken |
kuus, kuus:
kus, kus (L316a Lozen)
|
In plaats van kuus roepen klakt men ook wel met de tong. [N 19, 11a; VC 14, 2c (r]
I-12
|
| 34460 |
roepwoord voor de geit |
met, met:
męt, męt (L316a Lozen)
|
[N 19, 74e; VC 14, 2l r; L B2, 259e -263-; monogr.; N C, Q 111 add.]
I-12
|
| 25088 |
roest |
roest:
rōs (L316a Lozen),
rust (L316a Lozen)
|
roest (roester) [ZND B2 (1940sq)]
III-4-4
|
| 19923 |
roestvlek |
roestplek:
rōstplɛk (L316a Lozen)
|
roestvlek (in het linnen) [ZND B2 (1940sq)]
III-2-1
|
| 18284 |
rok: algemeen |
rok:
roͅk (L316a Lozen, ...
L316a Lozen)
|
rok (kledingstuk voor vrouwen) [ZND B1 (1940sq)]
III-1-3
|
| 18048 |
roof(je) (korst op een wonde) |
roof(je):
rouf (L316a Lozen, ...
L316a Lozen)
|
roof (korst op een wonde) [ZND B1 (1940sq)]
III-1-2
|
| 20676 |
room |
room:
rou̯m (L316a Lozen)
|
room (vetlaag op melk) [ZND B2 (1940sq)]
III-2-3
|