e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Lozen

Overzicht

Gevonden: 668
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
trekken trekken: trēͅkkə (Lozen) trekken [ZND A1 (1940sq)] III-1-2
troef troef: truf (Lozen) Een troef. [ZND A2 (1940sq)] III-3-2
troggewelf gewelf: gǝwø̜lǝf (Lozen) Segmentgewelf, gewoonlijk ter dikte van een halve metselsteensteen, dat tussen ijzeren balken is aangebracht. Het wordt vaak toegepast als overdekking van een kelder. De lagen ervan worden evenwijdig met de balken gelegd zodat ze bij het metselen door een formeel moeten worden ondersteund. Zie ook afb. 33. In Q 121 werden de gleuven tussen de verschillende troggewelven van een kelder vaak opgevuld met stukken steen of steenslag. Men noemde deze opvulling 'schrotten' ('šrǫtǝ'). [N 32, 20a; monogr.] II-9
trom trom: troͅm (Lozen), troͅəm (Lozen) Trommel. [ZND B2 (1940sq)] III-3-2
tuierpaal tuier: tyi̯ǝr (Lozen), tyǝi̯ǝr (Lozen), tuierpaal: tyi̯ǝrpāl (Lozen) De tuierpaal is een houten of ijzeren paal die men met de tuierhamer in de grond slaat en waaraan de koe of geit wordt vastgebonden. [N 14, 72 en 73a; N 3A, 14h; JG 1c, 2c; L 40, 21a; L B2, 286; A 17, 20; monogr. add. uit N 14, 71] I-11
tuinhuisje zomerhuisje: zuəmərhyskə (Lozen) zomerhuisje (in de tuin) [ZND B1 (1940sq)] III-2-1
tuinmuur lemen muur: lē̜mǝ mōǝr (Lozen), wand: wantjš (Lozen) Uit horizontale en verticale balken samengestelde wand die is opgevuld met vlechtwerk en vervolgens is afgesmeerd met leemspecie. In plaats van vlechtwerk kunnen ook bakstenen worden gebruikt. [S 42; N 4A, 53f; N F, 56b; N 31, 45a; monogr.; N 4A, 52f; N 4A, 52d] II-9
tweede luiden voor de mis luiden: lūjə (Lozen), trumpen: trempə (Lozen), trømpə (Lozen) Kleppen (de 2 maal luiden voor de H. mis). [ZND B2 (1940sq)] III-3-3
tweeling tweeling: twiəliŋ (Lozen), twīleŋ (Lozen) tweeling [ZND B1 (1940sq)] III-2-2
tweesteense muur dobbele steense muur: dǫbǝlǝ stē̜nsǝ mōǝr (Lozen) Muur waarvan de dikte gelijk is aan de lengte van twee metselstenen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord en woorddeel '(muur)' het lemma 'Muur'. [N 31, 37d; monogr.] II-9