| 17898 |
trekken |
trekken:
trēͅkkə (L316a Lozen)
|
trekken [ZND A1 (1940sq)]
III-1-2
|
| 22393 |
troef |
troef:
truf (L316a Lozen)
|
Een troef. [ZND A2 (1940sq)]
III-3-2
|
| 30123 |
troggewelf |
gewelf:
gǝwø̜lǝf (L316a Lozen)
|
Segmentgewelf, gewoonlijk ter dikte van een halve metselsteensteen, dat tussen ijzeren balken is aangebracht. Het wordt vaak toegepast als overdekking van een kelder. De lagen ervan worden evenwijdig met de balken gelegd zodat ze bij het metselen door een formeel moeten worden ondersteund. Zie ook afb. 33. In Q 121 werden de gleuven tussen de verschillende troggewelven van een kelder vaak opgevuld met stukken steen of steenslag. Men noemde deze opvulling 'schrotten' ('šrǫtǝ'). [N 32, 20a; monogr.]
II-9
|
| 19982 |
trom |
trom:
troͅm (L316a Lozen),
troͅəm (L316a Lozen)
|
Trommel. [ZND B2 (1940sq)]
III-3-2
|
| 34293 |
tuierpaal |
tuier:
tyi̯ǝr (L316a Lozen),
tyǝi̯ǝr (L316a Lozen),
tuierpaal:
tyi̯ǝrpāl (L316a Lozen)
|
De tuierpaal is een houten of ijzeren paal die men met de tuierhamer in de grond slaat en waaraan de koe of geit wordt vastgebonden. [N 14, 72 en 73a; N 3A, 14h; JG 1c, 2c; L 40, 21a; L B2, 286; A 17, 20; monogr. add. uit N 14, 71]
I-11
|
| 19749 |
tuinhuisje |
zomerhuisje:
zuəmərhyskə (L316a Lozen)
|
zomerhuisje (in de tuin) [ZND B1 (1940sq)]
III-2-1
|
| 30188 |
tuinmuur |
lemen muur:
lē̜mǝ mōǝr (L316a Lozen),
wand:
wantjš (L316a Lozen)
|
Uit horizontale en verticale balken samengestelde wand die is opgevuld met vlechtwerk en vervolgens is afgesmeerd met leemspecie. In plaats van vlechtwerk kunnen ook bakstenen worden gebruikt. [S 42; N 4A, 53f; N F, 56b; N 31, 45a; monogr.; N 4A, 52f; N 4A, 52d]
II-9
|
| 23251 |
tweede luiden voor de mis |
luiden:
lūjə (L316a Lozen),
trumpen:
trempə (L316a Lozen),
trømpə (L316a Lozen)
|
Kleppen (de 2 maal luiden voor de H. mis). [ZND B2 (1940sq)]
III-3-3
|
| 20427 |
tweeling |
tweeling:
twiəliŋ (L316a Lozen),
twīleŋ (L316a Lozen)
|
tweeling [ZND B1 (1940sq)]
III-2-2
|
| 30096 |
tweesteense muur |
dobbele steense muur:
dǫbǝlǝ stē̜nsǝ mōǝr (L316a Lozen)
|
Muur waarvan de dikte gelijk is aan de lengte van twee metselstenen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord en woorddeel '(muur)' het lemma 'Muur'. [N 31, 37d; monogr.]
II-9
|