| 18434 |
winkelhaak |
winkelhaak:
weŋkǝlhūǝk (P051p Lummen)
|
Haak waarvan de armen een hoek van 900 vormen. Met de winkelhaak wordt haaks afgetekend en worden werkstukken op hun haaksheid gecontroleerd. Zie ook afb. 2. [N 30, 13a; monogr.]
II-9
|
| 21566 |
winkelkorf |
kabas:
kabbas (P051p Lummen)
|
Korf of zak die aan de arm gedragen wordt wanneer men naar de winkel gaat. [ZND 36 (1941)]
III-3-1
|
| 22770 |
winnen |
winnen:
wennə (P051p Lummen),
winə (P051p Lummen)
|
III. Winnen; hij won; gewonnen. [ZND 25 (1937)] || Winnen. [ZND m]
III-3-2
|
| 33238 |
winterwortelen |
poten:
putǝ (P051p Lummen),
walenpoten:
wǭǝlǝputǝ (P051p Lummen)
|
Daucus carota L. subsp. sativus (Hoffm.) Arcang. Bedoeld zijn hier de winterwortelen (of winterpenen) die op de akker worden geteeld, zowel als veevoeder, alsook voor de consumptie door mensen, met name voor de hutspot. De fijne variëteit tuinworteltjes komt in de aflevering over de moestuin aan bod. [N Q, 6c; JG 1a, 1b, 2c; A 4, 26c; A 49, 2b; L B2, 342; L 8, 100b; L 15, 29; L 20, 26c; Wi 7; S 45; monogr.]
I-5
|
| 22373 |
wip |
schoep?:
/
sjoep (P051p Lummen),
trekbalkje:
trɛkbalǝkskǝ (P051p Lummen)
|
Het balkje dat, in standerdmolens, de luias met het luiwieltje omhoog doet gaan totdat dit grijpt in de tanden van het aswiel. Mogelijk wordt af en toe ook een overeenkomstig onderdeel bedoeld bij het sleepluiwerk. Zie ook afb. 65. [N O, 25j] || wip [SND (2006)]
II-3, III-3-2
|
| 32461 |
wis |
wis:
wes (P051p Lummen)
|
Lange buigzame twijg waarmee vlechtwerk wordt gemaakt. [N 40, 1; L A1, 199; N 38, 6 add.; monogr.]
II-12
|
| 33779 |
wisselen van de tanden |
breken:
brīǝ.kǝ (P051p Lummen),
wisselen:
wesǝlǝ (P051p Lummen)
|
Het breken of wisselen van de veulentanden gebeurt op twee en een half- à drie en een halfjarige leeftijd; het veulen verliest de melktanden en krijgt paardetanden, eerst de twee voorste tanden of binnentanden. Als het omstreeks vier jaar is, breken de twee middentanden en op vier en een half- à vijfjarige leeftijd de twee hoektanden. [JG 1a, 1b; N 8, 19]
I-9
|
| 34143 |
wisselen van tanden |
breken:
brii̯kǝ (P051p Lummen),
wisselen:
wesǝlǝ (P051p Lummen)
|
[N 3A, 108b; N 3A, 16; N 3A, 22]
I-11
|
| 25174 |
wisselvallig weer |
t weer staat te luimen]:
ət wiər es en nə klenk (P051p Lummen),
het weet niet wat het moet doen Nb. i met ronding v.tougrug
t wet ni wàt motoͅ^u (P051p Lummen)
|
niet schijnen te weten wat het wil gaan doen, gezegd van het weer [loerachtig [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 33772 |
wit stervormig vlekje op het voorhoofd |
ster:
stɛ̄r (P051p Lummen)
|
Witte plek op het voorhoofd van donkerharige paarden, niet groot maar van verschillende vorm als rond, ovaal e.d. Een ster is iets groter dan een kol. Zie afbeelding 3. [JG 1a, 1b; N 8, 27a; S 27]
I-9
|