| 25176 |
onweerx |
donderweer:
donderwair (L377p Maasbracht),
onweer:
onwéér (L377p Maasbracht)
|
donderbui [SGV (1914)] || onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 20557 |
ooft |
ooften-snitsels:
óóften snitsels (L377p Maasbracht)
|
ooft; Hoe noemt U: Appelen of peren, in schijven gedroogd (in de oven) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20736 |
ooftvlaai |
ooftenvlaai:
aofteflaai (L377p Maasbracht)
|
Vla met moes van gedroogde appelen (euftevlaoj, zwarte vla?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17592 |
oog |
doppen (mv.):
döppe (L377p Maasbracht),
oog:
ouch (L377p Maasbracht),
òug (L377p Maasbracht),
ô.ugə (L377p Maasbracht)
|
ogen [RND] || oog [DC 01 (1931)], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 33935 |
oogkleppen |
luisterlappen:
lūstǝrlapǝ (L377p Maasbracht)
|
Nagenoeg vierkante leren kleppen die ter hoogte van de ogen aan het hoofdstel vastgemaakt zijn. De oogkleppen dwingen het paard altijd voor zich uit te kijken, en voorkomen zo dat het naast zich iets zou bemerken dat het doet schrikken. [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 28; monogr.]
I-10
|
| 17595 |
ooglid |
oogklep:
auchklep (L377p Maasbracht),
ooglid:
ouglid (L377p Maasbracht)
|
oog: ooglid [N 10a (1961)] || Ooglid - Als men de ogen sluit, gaat er iets dat men een klepje zou kunnen noemen, over het oog heen. Hoe noemt men dit klepje? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|
| 17754 |
ooglid: bovenste ooglid |
bovenste ooglid:
beuveste ouglid (L377p Maasbracht)
|
Ooglid - Als men de ogen sluit, gaat er iets dat men een klepje zou kunnen noemen, over het oog heen. Hoe noemt men dit klepje? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|
| 17798 |
ooglid: onderste ooglid |
onderste ooglid:
ongerste ouglid (L377p Maasbracht)
|
Ooglid - Hoe noemt men het andere klepje, aan de onderzijde van het oog? [DC 39 (1965)]
III-1-1
|
| 33023 |
oogst -opbrengst |
oogst:
[oogst] (L377p Maasbracht),
schaar:
šǭr (L377p Maasbracht)
|
Oogst in de betekenis van "een goede oogst" of "de oogst staat er goed voor"; het tweede deel van deze laatste uitdrukking is ondergebracht in het volgende lemma. Voor de fonetische documentatie van de woordtypen [oogst], [bouw] en [bouwt], zie het lemma ''oogst -werkzaamheden'' (4.1.2); de in dit lemma gedocumenteerde varianten van oogst komen daar ofwel in het geheel niet voor, ofwel (soms) als een wezenlijk andere variant. [N 15, 11; L 5, 29; L 39, 39; S 27; monogr.; add. uit N 15, 10 en12]
I-4
|
| 33022 |
oogst -werkzaamheden |
oogst:
ǫu̯xst (L377p Maasbracht)
|
Het geheel van de werkzaamheden; het zelfstandig naamwoord. Zie ook Fsa, I, kaart 9. In vergelijking met N 15, 7 ("alle oogstwerkzaamheden te zamen") levert N 15, 8 ("graanoogst") in het geheel geen nieuw materiaal op; overal worden samenstellingen met graan (zie het lemma ''graan, koren'' 1.2.1) en van de opgave van N 15, 7 opgegeven. In het materiaal S 27 staan beide woorden oogst, eerst in de betekenis "het geheel van de werkzaamheden" en daarna in die van "opbrengst", onder elkaar en dat heeft waarschijnlijk suggestief gewerkt, vandaar de talrijke gelijkluidende antwoorden in het lemma ''oogst -opbrengst'' (4.1.3). Voor de behandeling van de varianten van het type oogst, vergelijk de toelichting bij het lemma ''oogsten'' (4.1.1). [N 15, 7 en 8; S 27; Wi 52; NE 3.V, 6g; monogr.; add. uit L 40, 8]
I-4
|