| 33398 |
hok voor de beer |
berestal:
bīrǝstal (L267p Maasbree)
|
Soms gebruikt men, in aansluiting bij de benamingen voor het hok van de zeug, ook specifieke benamingen voor de hokken van de beer, de mestvarkens en de biggen. Deze laatste staan in de drie volgende lemma''s bijeen. [N 76, 41e]
I-6
|
| 30826 |
hol |
cambreur:
cambreur (L267p Maasbree)
|
Het smalle middenstuk van de zool van een schoen dat hoger ligt dan de rest van de zool; het gedeelte waar zich de holte van de voet bevindt. [N 60, 89a]
II-10
|
| 30947 |
holpijpje |
gaatjespijpje:
gɛtjǝspipkǝ (L267p Maasbree)
|
Een stalen staafje dat van onderen een scherp gerand kokertje vormt. Hiermee kan men gaatjes in het leer slaan. Zie afb. 26. [N 60, 46a]
II-10
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
homel (L267p Maasbree),
hoomel (L267p Maasbree),
hômmel (L267p Maasbree),
WLD (? koomel - moelijk leesbaar)
hoomel (L267p Maasbree)
|
Hoe noemt u een soort bij: groot, breed gebouwd en meestal kleurig behaard (bruinrood of geel) (hommel) [N 83 (1981)] || hommel [DC 09 (1940)], [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 20524 |
homp brood |
homp:
hómp (L267p Maasbree),
korst brood:
kors broëd (L267p Maasbree)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25062 |
homp, brok, klont |
klot:
klōēt (L267p Maasbree)
|
kluit [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19784 |
hond |
hond:
honkt (L267p Maasbree),
stootblok:
stootblok (L267p Maasbree)
|
hond [SGV (1914)] || Stuk hout (in de standerdmolen) waaraan het vanghoofd door middel van een ijzeren haak bevestigd is. Zie ook afb. 51.3. [N O, 12k; A 42A, 83]
II-3, III-2-1
|
| 19782 |
hondenhok |
hondshok:
hoongshok (L267p Maasbree)
|
hondenhok [DC 10 (1941)]
III-2-1
|
| 24687 |
hondsdraf |
hondsdraf:
eigen spellingsysteem
hôndsdraf (L267p Maasbree)
|
Hondsdraf (glechoma hederacea 20 tot 60 cm groot. De stengels zijn kruipend met opgerichte, bloeiende takken; de bladeren zijn rond of niervormig met een hartvormige voet, de bladrand is gekarteld; de bloemen groeien in kransen in de bladoksels, blauwpa [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 20614 |
honger hebben |
trek hebben in:
trèk hebbe in (L267p Maasbree),
zin hebben:
zin hebbe (L267p Maasbree)
|
trek; Hoe noemt U: Zin in eten (trek, appertijt, appetijt, goesting, kop) [N 80 (1980)], [N 80 (1980)]
III-2-3
|